Thanks for joining me!
Good company in a journey makes the way seem shorter. — Izaak Walton

Thanks for joining me!
Good company in a journey makes the way seem shorter. — Izaak Walton

Beste lezer,
Proficiat. U bent een volhouder. Na goed 3 jaar flutverhaaltjes en flauwe grapjes van kapitein Stef en zijn Engelstalige stuurvrouw (of zoals zal blijken vooral anker-gezellin), volgt nu een interessante episode, uw lectuur waardig. Er zal voor ieder wat wils zijn: avontuur, natuur, interessante wetenswaardigheden en erotiek.
Donderdag 11 oktober 2018. Aankomst op Hamilton Island, Australie
Vanuit het vliegtuig dat ons van Brisbane naar Hamilton Island brengt zien we plots allemaal puisten in de zee verschijnen. Gemotiveerd als we zijn om onze reis met Instagram-foto’s te documenteren en voor de hele ons bekende wereld aanschouwelijk te maken, kruipen we over elkaar heen om door het raampje mogelijks een glimp op te vangen van Sanuk.

Sanuk is, voor diegenen die het nu nog niet weten, de boot van kapitein Stef en Ilse, die tot in den treure al op deze blog is afgebeeld, meestal doelloos dobberend in één of andere verlaten baai in het hol van Pluto. Een reis van dergelijke omvang houdt meer dan één teleurstelling in, dus op de foto kan je Sanuk jammer genoeg niet zien. Bij voldoende vergroting zou dit wellicht nog lukken, maar omdat kapitein Stef principieel de resolutie van alle foto’s op de blog reduceert, bent u eraan voor de moeite. [nvdr: je kan op de foto’s klikken om ze in volle glorie te bewonderen… ]
Hamilton Island is een resort-rijke klodder aarde, ergens midden de Whitsundays eilanden. Het heeft een vliegveld met landingsbaan vlak naast de jachthaven, vol grote joekels van jachten genre Puerto Banus. Sanuk lag er niet tussen, want kapitein Stef hangt graag de non-conformist uit en verkiest buitengaats aan een boei aan te leggen. Goedkoop, leuk, maar niet praktisch als je met 2 grote reistassen, elk een rugzak en met je propere kleren aan in een versleten bootje (de “dinghy”) de oversteek van het eiland naar de watercaravan genaamd Sanuk dient te maken. Maar zoals je kan zien op de prachtige selfie: zij waren blij ons terug te zien, en wij in tegengestelde richting ook.

De Whitsundays…, hm, waar komt deze intrigerende naam vandaan? (U zult van nu af iets bijleren, beste lezer, wees gerust). Kapitein Cook, bekend van de traveller checks, ontdekte de eilandengroep op Pinksterdag en noemde zijn vondst hiernaar. Dat je niet erg slim moet zijn om met een boot de wereld rond te varen en dingen te “ontdekken”, weze hier maar weer eens bewezen: Cook was zo lomp om zich een dag te vergissen. Hij ontdekte de 73-eilanden tellende groep op Pinkstermaandag, een bank holiday nota bene. De correcte naam is dus Whitmonday Islands, die we hierna consequent zullen gebruiken.

Vrijdag 12 oktober. Paradise lost.
Ontbijt al fresco op het achterdek met een overvloed aan toespijs, gebunkerd daags voordien in Airlie beach door onze gastheren. De zon brandt de wolken open en kapitein Stef zit al klaar achter het roer, in zijn gewone outfit, een “spanné” onderbroek uit de 3-suisses kataloog van 1975. Op naar ons eerste avontuur. Sanuk brengt ons tot voor de kust van Lindeman Island. Adepten van Club Med zijn er misschien nog GM geweest, maar sinds januari 2012 is de laatste GO er vertrokken, officieel omwille van orkaanschade, in realiteit omdat Aussies en China-men het gehad hadden met dwaze Franse liedjes (A- ga-dou-dou-dou-pousse- l’ananas-et-moule-café) en onnozele groepsactiviteiten (Aqua Gym) waardoor de zaken minder goed gingen. De Chinezen – onderschat ze niet – komen langs de achterdeur weer binnen door het hele eiland op te kopen via een Australische stroman-firma “White Horse” voor 12 miljoen dollar. Ze plannen er 355 suites en villa’s, een compleet dorp met restaurants, een marina, een 4 hole golf course (voor wie te lui is om er ocharme negen te spelen) en voor de schone schijn een “coral planting program”. De airstrip zal worden opgewaardeerd om er met je privé-jet in alle weersomstandigheden te kunnen landen.


Hoe ik dat allemaal weet? Gewoon…
Kapitein Stef, pleegt meestal daar aan land te gaan waar het het minst evident is. Zo ook geschiedde op Lindeman. Flipper (voor wie het nog niet wist: geen dolfijn maar een dinghy) werd te water gelaten en liet goddank na 5 snokken aan het koordje een min of meer geruststellend motorgeluid uit zijn buitenboord weerklinken. We kwamen aan land bij een klein strandje vanwaar het meteen steil bergop door het hoge gras naar boven ging, naar de top. We lieten de vrouwen voorop gaan, je weet maar nooit dat er giftige slangen verscholen zaten tussen de vegetatie. Eenmaal boven, kon je niet alleen Sanuk zien, maar ook dat er aan de andere kant van de berg een mooi pad vertrok vanuit de andere baai. We daalden gezwind de heuvel af over een lange airstrip, waar we helemaal op het eind een golfkarretje zagen naderen met daarin één dikke en één héle dikke Australiër. Vriendelijke man, trouwens, die hele dikke. Op onze vraag hoeveel inwoners Lindeman telde kregen we prompt het antwoord “Only one, and that’s me”. Blijkbaar was hij de concierge van het resort in verval, in afwachting van de bouw van het nieuwe vakantieparadijsje voor de happy few. “Did you come from that side?” vroeg hij lachend, “It’s easier from the other side” en tot onze teleurstelling “oh but no worries, there are no poisonous snakes on this island”. Toeme toch, weeral een bewijs dat we niet voor het avontuur geboren zijn.




Zaterdag 13 oktober. Goldsmith Island. Mahaya Mahaya
Na onze avonturen op Lindeman Island zeilen we verder (trààg, mannekes, traag dat dat gaat!) zuidelijk naar Goldsmith Island waar we in een beschut baaitje voor anker gaan. Camping sauvage, heerlijk alleen, zonder buren, tot we plots gezelschap krijgen van een klein Australisch solozeilschip en niet veel later ook van een groot motorjacht, de Mahaya. Veel bling bling, blauwe lichtjes rondom en een constant zoemende generator. “Hm”, merkt Ilse, ervaren ankervrouw, op “waarom gaan die zo dicht bij de kust liggen?” De avond valt, en al hadden we gehoopt op een zelfgevangen visje (weinig lijnvis-expertise aan boord)), de Australian Ribeye smaakt heerlijk, recht van de Captain’s Grill.

Zo tegen middernacht vallen onze ogen toe en maken we ons op voor de nacht. Er is een stevig windje opgekomen en Sanuk dobbert parmantig rond z’n anker. De golfslag zorgt voor een slaapverwekkende deining. Plots horen we onze buren heen en weer roepen en zien we Mahaya volle kracht vooruit en terug achteruit varen. Ook de kleine zeilboot start de motor en komt na wat gemaneuvreer langszij. De schipper roept ons toe “I’m off, stay where you are” en kiest het ruime sop. Ondertussen blijft Mahaya verwoed voor-en achteruit varen, draaiend met zijn kont vervaarlijk dicht bij de rotsen aan de kant. Kapitein Stef neemt de microfoon van de VHF-boordradio ter hand en roept Mahaya op om te informeren wat de bedoeling is. De kapitein van Mahaya maakt na wat aandringen duidelijk dat hij zich wat verder van de kant wou leggen maar dat zijn anker vast is komen te zitten. Een kolfje naar de hand van kapitein Stef die onmiddellijk aanbiedt met de dinghy ter hulp te komen, gewapend met een gereedschapskist, slijpschijf en zijn tandenborstel voor het geval het even zou duren. Terwijl hij zijn koplamp en een sweather boven zijn spanné-ke aantrekt, houdt Ilse op Channel 16 de kustwacht aan de lijn die net informeerde wat er daar allemaal aan de hand was en of er nu iemand in gevaar is of niet. Een typisch Pan-Pan-geval (we stonden tenslotte in de keuken van Sanuk) en overduidelijk geen Mayday. De schipper van Mahaya denkt daar kennelijk anders over, vermoedelijk opgepookt door zijn vrouw (of maitresse fantaseer ik erop los) die inmiddels luidkeels aan het roepen is op de achtersteven. Even later activeert hij zijn Epirb [nvdr:
Emergency Position Indicating Radio Beacon ], compleet van de pot gerukt (wie activeert nu voor zo iets zijn Epirb), dat weet het kleinste kind. Kapitein Stef zit inmiddels tevergeefs aan het koordje van Flipper’s buitenboord te trekken terwijl hij alsmaar verder van Sanuk afdrijft. Door het gewicht van de slijpschijf en alaambak dreigt hij even kopje onder te gaan in de alsmaar wilder bruisende golven. Uit het niets duikt dan de kleine witte zeilboot terug op en gaat voor anker op de plaats waar hij voordien had gelegen. “Bring me to that ship” sommeert de schipper kapitein Stef die nog steeds geen geluid uit de motor krijgt. Zijn wij blij dat we de oversteek van Lindeman naar Sanuk niet zwemmend of peddelend hebben moeten maken eerder die dag!

Net voor hij zich voorneemt met rukken op te houden (sic) krijgt kapitein Stef zijn motor aan de praat en brengt de witte ridder aan boord van Mahaya. Daar verstomd het gekrijs van de maitresse spoedig en na enige tijd zien we het motorjacht met succes het anker lichten en enkele honderden meters verder dobberend halt houden. Over de marifoon vraagt de reddende engel nu een lift terug aan kapitein Stef die vanop de brug van Sanuk de maneuvers heeft gadegeslaan. Dat is echter buiten de waard gerekend want Flipper’s buitenboord blijft weer zo dood als een pier. Van armoe wordt de sympathieke Aussie-zeiler dan maar door de schipper van Mahaya met zijn eigen dinghy ter bestemming gebracht. De sterren flonkeren aan de hemel en de golven vallen stil.

Zondag 14 oktober. Thomas Island
Een beetje later dan anders staat onze sympathieke gastheer in de kombuis van Sanuk pancakes te bakken voor het ontbijt. Van Mahaya was geen spoor meer, afgedropen met de staart tussen de benen. Ook het andere jacht is voor dag en dauw vertrokken. Vandaag zeilen we verder naar Thomas Island. Onderweg houden we halt (pas op, dat duurt efkens) bij een klein eilandje dat er aanlokkelijk uitziet met z’n kleine witte strandje. Eens voor anker laten wij de kano te water en peddelen Pascale en ik naar de oever. Ilse volgt al snorkelend in ons kielzog. De kapitein daarentegen blijft aan boord en neemt zich voor Flippers buitenboordmotor aan een grondige beurt te onderwerpen.


Op het strand maken we kennis met een echtpaar Aussies, met duidelijk al wat zonuren op de teller. Vriendlijke mensen van naar schatting 70 jaar, afkomstig uit Bowen, een stadje ten Noorden van Airlie Beach. Ze zijn op reis met hun water-campervan, een piepklein motorjachtje dat parmantig naast Sanuk ligt te dobberen. Net zoals wij zijn ze enthousiaste ontdekkers van dit kleine paradijsje midden de Whitmondays. Of er iets te zien was misschien? Neen, en dat is nu juist de max, daar draait het rond voor zeilcruisers, het is niksen voor gevorderden.

Na een goed gevulde dag niets-doen varen we bij valavond op autopilot terug naar Hamilton Island. De frigo was immers zo goed als leeg en de wasmand vol. In de Whitmondays vind je noch wasserette noch superette in elke uithoek van de Archipel, maar Hamilton Island heeft een IGA-supermarket (plastic bag free) en een wassalon aan de Marina! Tijdens onze overtocht spelen we het ingewikkeld gezelschapsspel Porto Rico, compleet nutteloze bezigheid, maar geheel in lijn met hetgeen we die dag allemaal hadden gedaan. Ankeren is één ding, maar aanleggen aan een mooring (boei) bij nacht is nog iets anders. Met een lange stok moet je – zoals je plastiek eendjes vist op de kermis – het meertouw proberen op te pikken en vervolgens een touw door het oog aan het eind ervan halen om het schip vast te leggen. Kapitein Stef mag graag toezien als Ilse op haar buik ligt en met het tipje van de tong tussen de lippen deze precisieklus klaart.
Maandag 15 oktober. Hamilton Island, “Your Island escape awaits”
Met Flipper, die nog altijd zijn nukken heeft ondanks kapitein Stef’s goede zorgen, varen we na het ontbijt naar de marina van Hamilton Island. We leggen aan tussen de grote motorjachten, benieuwd of we Mahaya niet zullen zien liggen. De hysterische maitresse van de schipper zou perfect passen tussen de vele vakantiegangers die in golfkarretjes rondzoeven op de goed onderhouden wegen van het eiland. Hoge buildings wisselen af met resorts bestaande uit luxe-villaatjes rondom blauwe zwembaden. Maar geen Mahaya te zien.

Als je even de moeite neemt om hogerop de weg te volgen kom je bij het begin van een wandelpad (“From bushwalking to art classes, you’ll never find yourself short of something to do on Hamilton Island”). Bush walking, zou het voor ons dus worden. Prachtige wandeling naar het hoogste punt van het eiland. Overal langs het pad zie je van die zwarte pieken de lucht in priemen met aan hun basis een toef gras. “Black boys” worden ze genoemd, al is dat tegenwoordig een politiek incorrecte naam (straks mogen wij ook niet meer spreken van “vrouwentongen”, waar gaan we in godsnaam naartoe). Xanthorrhoea spp of Balga Grass Plants zijn planten die alleen in Australië voorkomen. Ze groeien (traag) op weinig vruchtbare bodems en houden van een beetje vuur aan hun schenen. De dode blaren onderaan de stam beschermen tegen de hitte van een bushbrand en eens ze verteerd zijn begint de plant te bloeien, want de as in de bodem blijkt als meststof te dienen.

Eens terug beneden hebben Pascale en ik de enige niet-pluchen Koala gezien van de ganse reis. Hij zat als attractie voor de resort-crowd op een terras in een namaak-eucalyptustree op zijn gemak een blaadje te knabbelen. De reis kon toen al niet meer stuk.

Dinsdag 16 oktober. Whitsunday Island. Whitehaven Beach, postkaartstrand categorie *****.

Vertrek op tijd als je Whitehaven beach wil aandoen, want toerboten vol toeristen komen graag picknicken op wat sommigen het mooiste strand ter wereld noemen. Met een koelkast vol lekkers, propere kleren en gewassen haar (grapje, want ook op de boot is er shampoo) zeilen we van Hamilton Island langs de zuidkust van Whitsunday Island doorheen de engte langs Teague en Haslewood Island. Om de hoek ontvouwt zich het kilometerslange witte strand van Whitehaven. De schakeringen van het blauwe zeewater, de lucht en de wolken boven het parelwitte strand zijn prachtig. Wat een genot telkens Ilse weer het ankerritueel uitvoert. Op de voorplecht staand, benen lichtjes gespreid, streelt ze het touw liefdevol terwijl het anker in de diepte zakt. Met de rechterhand geeft ze signalen aan de kapitein, een beetje vooruit, een weinig achteruit, iets naar links, ja daar, goed zo, en nu een beetje terug. Met de linker bedient ze het knopje van de remote control, een beetje op of een beetje neer, juist genoeg, niet teveel. En wanneer de kapitein eindelijk tevreden achterover leunt en zijn goedkeuring uitspreekt over de spanning die op de bridle zit, tovert ze een mooie glimlach op haar gelaat. Mission accomplished, we liggen vast.





Flipper brengt ons aan wal. Op het hagelwitte strand ligt her en der wat decoratief zeewier, of een fotogenieke tak, maar ook tekeningen in het zand ,vertrekkend uit kleine holletjes gegraven door artistieke krabbetjes. Zigzaggend tussen al dat moois bereiken we een wandelpand dat doorheen dichte vegetatie slingert tot aan het strand van Chance Bay. Onderweg komen we deze sympathieke knaap (“Wat ruist daar door het struikgewas?” tegen (foto). Eens terug op Whitehaven Beach is het tijd voor een paar staatsiefoto’s. Tevreden na een dag op het mooiste strand ter wereld zeilen we met Sanuk terug noordwaarts waar Ilse en Kapitein Stef terug het ankerritueel uitvoeren en de duisternis intreedt. Bij het flikkerend licht van de open haard luisteren we naar de Podcast van VRT NWS over de Gentse verkiezingsuitslag.




Woensdag 17 oktober Hook Island – “Sleeping with the fishes”



Van Whitsunday Island cruisen we na het ontbijt in noordelijke richting naar Hook Island. Manta Ray Bay is gekend als een goeie plaats om te snorkelen. De kapitein brengt er ons feilloos naartoe, en waarachtig: Ilse heeft het anker nog niet neergelaten of de boot wordt al omzwermd (of is het omzwemd?) door een bont gezelschap van vissen. Even later komt een motorboot naast ons surplacen. Twee bemanningsleden in uniform vergezellen een jong koppel (honeymoon, I presume?) dat ook komt fish-spotten. De stuurman graait in een emmer met visafval en strooit het naast de boot in het water. In een minimum van tijd krioelt het van de vissen, net een tropisch aquarium. Een paar potige Aussie dames liggen wat verder te dobberen met hun Zodiac en uiten luid hun ongenoegen: “Don’t feed the fish, this is a marine reserve!”. De motorboot trekt zich snel terug. Nu is het onze beurt.

Voorzichtig laten we ons te water via het trapje aan de achtersteven van Sanuk, compleet met snorkel en wetsuit (tegen de stingers, kwallen waarvan er sommige zo gifitig zijn dat je er het bijltje kan bij neerleggen). Kapitein Stef vindt dat allemaal flauwekul en springt met alleen zijn snorkel en zwemvliezen aan (én zijn spannéeke, no worries) in het water. Wat een drukte, precies rush hour! Meest in het oog springt de Giant Napoleon, een brave loebas van een vis (dixit Ilse, die hem enthousiast begroet), maar ook de iets kleinere Giant Trevally (“the GT” zeggen machovissers wel eens) is best wel impressionant. Verder zien we parrot fish, surgeon fish en veel gewone fish (als ze op de kaart staan van een restaurant ken ik ze, maar anders zegt hun naam mij niets). Eens terug aan boord duikt kapitein Stef in het motorruim en begint wat te rommelen. Hij heeft hiervoor een cursus gevolgd, en moet dat af en toe eens demonstreren. Gelukkig start de motor na deze interventie nog en kunnen we onze reis verderzetten. We tuffen naar Stonehaven Anchorage aan de oostkust van Hook Island waar we ons installeren voor de nacht.





Donderdag 18 oktober. South Molle Island – Debbie was here.
Onze Odyssee langs de Whitmondays begint op zijn einde te lopen maar niet getreurd, er komt nog een spannende episode. Eens het ontbijt achter de kiezen en de tanden gepoetst voert de autopilot (u dacht toch niet dat Kapitein Stef één keer zelf heeft gestuurd?!) ons veilig naar het meest zuidelijke van de Molle Islands. We ankeren in een mooie baai waar we de ruines van een resort zien liggen met een bouwvallige jetty. South Molle Island was ooit een bruisend vakantieoord, in de jaren ’50 was de leuze “carefree days and carnival nights”. In het heelal is ’t alle dagen karnaval. Vandaag dus niet meer, cycloon Debbie heeft er een eind aan gemaakt zo’n 2 jaar terug. Wanneer we over het keienstrand naar het werfhekken toelopen dat de bouwvallige bungalows afschermt voor indringers, horen we plots uit een stel luidsprekers een stem die ons waarschuwt “Warning, you have been filmed, a patrol is on its way” met op de achtergrond hondengeblaf en loeiende sirenes. Wij doen het bijna in ons broek, van het lachen. Even verderop is er een pad dat ons omhoog leidt door het National Park. We wandelen door bos achter een duo rare vogels op hoge poten die het vertikken te vliegen. Eens boven op de heuvel worden we getrakteerd op adembenemende vergezichten op de oceaan en de omgevende eilanden en eilandjes. De black boys zijn ook weer van de partij. Een kolonne toeristen met jetskis (lawaaierige quads van de zee) trekken witte sporen op het blauwe water. Onvergetelijk mooie wandeling. We dalen af en komen bij een pad met een verboden toegangbord. Een kolfje naar de hand van Kapitein Stef. We negeren het bord en banen ons een weg doorheen het struikgewas waarna we aan de achterkant van het resort terecht komen, daar waar het golfterrein lag en waar je een tennisballetje kon slaan. Het zwembad ligt er leeg en troosteloos bij. De stem uit de luidspreker dreunt hetzelfde tekstje af, honden blaffen, sirenes loeien, maar de patrouille is in geen uren te bekennen. Sanuk heeft intussen gezelschap van een vriendje gekregen en ontvangt ons met open armen terug.












We varen weg van South Molle Island, het gevaar is geweken denken we. Tot Kapitein Stef plots een ruk aan het roer geeft en roept “we varen op een rots!”. Pff, Sissie! Dit is geen rots, maar een vlek drijvend stuifmeel die er als een rots uitziet. Ook op zee bestaan fata morganas. [ nvdr: dat zag er nochtans zeer levensecht uit, ik deed het bijna in mijn broek(je) ]
Bij valavond richten we de steven naar Airlie Beach, het eindpunt van weer een zalige dag. We ankeren voor de marina en liggen niet alleen tussen dansende lichtjes. Met Flipper (altijd een spannend moment: start ie of start ie nie) bereiken we het Australische vasteland.
Airlie is niet veel speciaals. Veel jong volk dat wel, bars, winkels en enkele restaurants. In Fish D’Vine and Rum bar kan je eerst een cocktail achterover slaan en dan Fish and chips. Lekker en genoeg!

Dag 8 Airlie Beach – Ze zijn van ons af
De zon brandt al enthousiast aan de hemel als we op het achterdek ontbijten. Onze reiskoffers zijn gepakt. Flipper brengt ons vlot en zonder gesputter naar de marina (blij van ons af te zijn, denk ik). In de centrale straat van Airlie Beach vinden we een Avis/Budget kantoor en verderop nog een andere verhuurder. Er blijft nog 1 auto over: een Hyundai i30 in een spuuglelijk blauw. We nemen hem, want we willen noordwaarts naar Mission Beach, Cairns en Porth Douglas van waaruit we op excursie naar de Great Barrier Reef zullen gaan en ook naar Daintree National Park. Met een krop in de keel nemen we afscheid: afscheid van een zalige week slow travel op Sanuk, afscheid van een super gastvrij koppel vrienden, die weten hoe het moet: Sanuk = carpe diem (amaai nog nie!). Bedankt Ilse en Stef!


(Voor alle duidelijkheid, we zijn ondertussen dec 2018 en terug in Belgie, maar dit is een terugblik op een mooi stukje van onze reis)
Na mijn herstel van mijn beeninfectie in het hospitaal van Lata zijn Ilse en ik terug verder getrokken op onze zeilreis door Solomon. Nadat ik van de dokter en verpleegsters een volledige ontsmettingskit meekreeg en ook de nodige pillen om mijn antibiotica kuur geleidelijk af te bouwen, waren we blij om terug verder te trekken. Onze eerste stop was het eiland San Christobal, zo een drie dagen (en twee nachten) varen. In het stadje Kira kira was er net een bananen festival, want San Christobal is ervoor gekend.





Na KiraKira vaarden we naar de noordkant van het eiland, om de volgende dag een korte oversteek te hebben naar Guadalcanal. We meerden aan voor een tijdelijk dorp dat hout kapt voor de export. Dit is een van de problemen van Solomon, een chef van een dorp verkoopt de rooi rechten, strijkt het geld op en verdeelt dit al dan niet over zijn stamgenoten. Ondertussen ziet de natuur erg af en duurt het herstel lang.


Alle materiaal om bos te rooien wordt aangevoerd en ook weer meegenomen, althans de machines die nog werken. De rest wordt achtergelaten als schroot op de zwaar diesel-vervuilde grond.
De volgende dag zijn we alweer op weg naar het eiland Guadalcanal. Dat is vooral gekend door de Amerikanen, de Australiers en de Japanners want het was het toneel voor een beslissende fase van de tweede wereldoorlog. Maar eerst komen we op het uiterste zuidpuntje aan bij een welkome afwisseling: het toeristenverblijf Tavanipupu resort. Er waren geen betalende gasten en dus konden we als cruisers rondlopen op het prachtige domein en met de lokale manager mee aan tafel aanschuiven. Ilse kreeg zelfs een massage aangeboden in ruil voor het afstaan van de auteursrechten van de foto’s, die je kan bewonderen op de website van het resort.





Maar we konden natuurlijk hier niet eeuwig blijven… dus heb ik Ilse ‘s nachts met de boot ontvoerd. 😉
Vlakbij het resort was er een jaarlijkse bijeenkomst van een lokale stam. De priester die we ontmoet hadden in het resort nodigde ons uit. Na een lange trip met onze trouwe flipper (bootje) en heel wat zoekwerk zagen we uiteindelijk een grote collectie canoes liggen, en wisten we dat we juist zaten. We waren de enige vreemdelingen onder een honderdtal mensen vanuit de omliggende dorpen. We aten mee met het traditionele ontbijt, biscuit koekjes en thee met melk en suiker. Daarna was er een rondleiding met de chef van het dorp, gevolgd door kleine optredens. We zagen de meisjes zingen (zo zo), de vrouwen dansen en kerkliederen zingen (zo zo) en daarna kwamen de jongens. Eerst de kleinsten en daarna de grotere. Iedereen lag plat van het lachen. Geniet met ons mee:





Maar we trokken verder en kwamen in de hoofdstad Honiara samen met nog twee andere cruisers die we reeds in Lata hadden ontmoet. De haven was piepklein met misschien plaats voor vier boten, dus we bleven buiten voor de ingang geankerd. Gelukkig zat het weer en de golven mee en hadden we geen onvoorziene her-ankeringen. Omdat het wereld voetbal toernooi aan de gang was, en heel populair is in de eilanden van de stille Zuidzee, kregen we naargelang het tornooi vorderde steeds meer supporters van Belgie. Het werd dus steeds gemakkelijker om uit te leggen waar we vandaan kwamen.




En verder ging de reis. We namen een zijuitstap naar de baai van Roderick waar een klein cruiseship een grote botsing had gehad met een rif. Er was zoals steeds een toeloop van families met canoes die groenten en fruit wilden wisselen voor kleren of andere nuttige dingen. We geven bijna nooit direct iets, maar proberen altijd te wisselen, ook al zijn beide zijden niet in evenwicht. Alleen was de vraag van de lokale chef John Piluca (Niet te verwarren met de aimabele John Ruca) om een ankervergoeding te geven er te veel aan, na onze gulle uitwisselingen. De arme stakker die hij erop uit stuurde om te ontvangen heeft een tirade over zijn hoofd gekregen…





Tenslotte reisden we af naar onze check-out stad in Solomon, Noro. We passeerden onderweg nog een natuurpark Tetepare dat absoluut de moeite van het bezoeken waard is, als de zee niet te wild is tenminste. Anders kan je verblijf er wel eens met een week verlengd worden …




Na Noro stond er een serieuze tocht op ons te wachten, dus gooiden we de dieseltanks nog eens vol met 400 liter taksvrije diesel. Helaas wat te enthousiast, want ik kreeg een dieseldouche over me heen. Gelukkig kijken ze er hier niet te erg naar als er een tiental liter diesel in de zee gemorst wordt. Het zou in Australie of de USA een dure keer geworden zijn…
Volgende keer meer over ons bezoek aan de Louisiades, een deel van Papua Nieuw Genua.
Vanuatu was definitely one of the most beautiful group of Islands I have seen during our 3 year trip in the Pacific. We spent a bit more than a month there and we still feel we missed out on a lot. We could have easily spent 3 months without getting bored but we had to be in Cairns by september and still had Solomon and the Louisiades on our list.
It was great to have Emma and Sebastien with us for 3 weeks! Time flies when you are having fun. The snorkeling was great, the people were friendly and the villages still very authentic. The weather was not at its best but nevertheless we enjoyed every minute of it.





After visiting Tanna we decided to sail directly to Port Villa, the capital of Vanuatu, because the weather was not going to be good the next couple days. We sailed through some rough weather with a lot of thunder and lightning but nothing Sanuk and the captain could not handle.


After foodshopping for the next weeks and washing off the salt from Sanuk at the dock in Port Villa we were ready to sail to Pentecost Island to see the landdivers. We anchored at several islands and every time we were amazed at how many children there were and all soo happy.



We did some snorkeling at every stop we made and were never disappointed although we did not see the dugongs. The coral was beautiful…





We made a stop at Ambrym Island where only a couple months before the volcano became active, no lava but a lot of ash was released and many left the island to go to Santos. We met some people who stayed…


Land diving is a ritual performed by the men of the southern part of Pentecost Island from April till the end of June. Men jump off wooden towers, 20-30 meters high, with two tree vines wrapped around their ankles. It is done without safety equipment! The ritual is connected with the yam harvest season as one good dive would ensure a good yam season. It has become a tourist attraction over the years but still very exciting to see the courage of these men.



After the ceremony we were invited to have some real, freshly made kava! Kava is used for medicinal, religious, political, cultural and social purposes throughout the Pacific.



Returning back to Sanuk we felt grateful we were part of this special ceremony of landdiving. We had time enough to sail to “waterfall bay” where we stayed for the night.



Next we sailed to Santos, the final stop for Emma and Sebastien. We visited the gorgeous blue holes and did some more snorkeling.




But all good things come to an end…


We continued sailing north, checked out in Sola and sailed to the Bank islands, still part of Vanuatu. The more north we went, the more the islands were remote. We did not have internet and we exchanged goods for food.



















Toen we gingen vertrekken uit Vanuatu liep het even mis voor mezelf. Ik trapte op een open blikje SPAM en schaafde een sneetje hiel eraf. Veel bloed maar het hing er nog met een kantje aan en we konden het er terug op plakken. Ik kreeg de volgende dagen geen stijve nek of trok geen grotere grimassen dan anders (tetanus symptomen), dus we verzorgden de wonde zo goed mogelijk en zorgden ervoor dat ik niet met mijn voet in het water kwam, door middel van een plastieken zak onder een kous. Alhoewel ik vreesde voor een infectie die wel eens onze reis zou kunnen verkorten, bleef die gelukkig uit. Althans op die plek…



We vertrokken uit Sola vanop het eiland Vanua Lava van Vanuatu op 15 september 2018 voor een 5-daagse reis naar Solomon. Eerst nog een (illegale) stop in het vulkaaneiland Ureparapara en het Torres eiland Loh voor we aankwamen op het eerste Solomon eiland: Utupua. Maar onderweg van Loh naar Utupua werd het duidelijk dat een kleine wonde op mijn rechterbeen – de grootte van een muggebeet – aan het ontsteken was. Met de dag werd dit erger, en we consulteerden onze huisarts via satelliet email. Van de hele resem antibiotica die we mee hadden bleek geen enkele de juiste te zijn. … Die hadden we net weggegeven in Loh aan een medisch centrum daar.




We zijn na een dag rusten in Utupua terug doorgevaren naar het check-in plaats Lata op het Solomon eiland Ndendo. Onderweg had ik lichte koorts maar anders voelde ik me redelijk alhoewel mijn been snel verslechterde. Gelukkig was er een hospitaal in Lata met een dokter.


We kwamen aan op een vrijdag en na de checkin procedure (Douane, Immigratie, Quarantaine) ben ik op visite geweest bij een verpleger van het hospitaal met mijn gezwollen been en infectie. We kregen antibiotica mee (Cloxacillin 500mg en Amoxicillin 500mg) naar de boot. Maar tegen de maandag was er nog geen verbetering zichtbaar, dus zijn we opnieuw naar het hospitaal geweest. Nu was de dokter er, Suzy, en die verhoogde de dosis antibiotia naar Cloxacillin 2000mg. Maar omdat de Cloxacillin enkel nog beschikbaar was als baxter moest ik 4 keer daags ( 06:00 12:00 18:00 22:00) naar het hospitaal. Sanuk lag echter aan de andere kant van de baai geankerd, met telkens een tien minuten durende overtocht. Daarom besloten Ilse en ik dat het beter was voor mij om in het hospitaal te overnachten. In de voormiddag ging ik dan op bezoek bij Ilse op Sanuk, en ging dan tegen de middag terug naar Lata hospitaal. Ik lag samen met nog enkele andere mannen op de kamer, en met ‘s nachts veel gezelschap van gekko’s.









Na een weekje mocht ik het ziekenhuis verlaten. Ik kreeg een voorraad wondverzorging producten mee en hun laatste voorraad Gloxacillin (500mg). Als dank voor de goede verzorging nodigden we de verzorgingsploeg uit op Sanuk voor pannenkoeken. Na enig aandringen was het hospitaal ook bereid om een faktuur voor mijn verzorging op te maken, zo hebben we hen ook een klein beetje kunnen helpen.




De overtocht was snel (22 uur) voor 171 Nm, of 14,4km/uur. Het was wel nogal woelig omdat we de hele weg scherp aan de wind vaarden (60° AWA) met golven van 2 à 3 meter (golven zien er altijd klein uit op video). We waren dan ook blij dat we konden ankeren in Anatheum baai en gaan slapen. Tijdens de nacht doen we elk shifts van 3 uur en het duurt een paar dagen voor je in dat ritme komt.







































Flash back to April 2018 when we arrived back on the boat after visiting Australia, Vietnam and Myanmar. It felt good coming home to Sanuk.

It took us about 2 weeks to get Sanuk ready to go back in the water and off we were for our last cruising season in the Pacific. We checked out of Noumea, got tax free diesel and sailed towards the Isle of Pines.





From Gadji Bay we decided to continue sailing along the East Coast from Grande Terre until it was time to cross to Vanuatu. We took almost 3 weeks to sail up and come back and we hardly saw another boat. The weather was not perfect, rainy days but warm but the nature was beautiful and we managed to do some nice hikes.




















Toen we terugkwamen van Myanmar lag Sanuk op ons te wachten bij Carenocean Carenage (bewaring op het land). Hierna een beeldverslag van onze reis met Sanuk vanop het land in het water, en dan langs de oostkust van Nieuw Caledonie.









We zijn vertrokken: van Noumea langs de kust via het Woodin kanaal naar Ouara baai.































Hierna gaan we op weg naar Vanuatu, een reis van 22 uur die ons bij een nieuw land brengt en ook het bezoek van onze dochter Emma en haar vriend Séba. Dit wordt een volgende blog.
Around the end of march 2018, we left Inle Lake by night bus to Mandalay. It was a bouncy ride and I did not get a lot of sleep so I was happy when we could check-in early and go to bed for a couple more hours of sleep. The reason for our stop in Mandalay was a visit to the U Bein bridge in closeby Amarapura, We rented a motorcycle from the hotel and were soon on our way to Amarapura.

The U Bein bridge is with its 120m long, the longest teak footbridge in the world.

It was the mayor of Amarapura, U Bein, who decided to create the bridge using the teak supports from the abandoned palace in 1859. There are just over a 1000 pillars along the bridge.
While in Mandalay we decided to visit the Kuthodaw pagoda and the monastery of Shwe In Bin Kyaung.

The “word’s biggest book”, 729 small stupas. Each of them protects a marble slab with writings of the 15 books of the Tripitaka.

King Mindon commissioned the work in 1857 and it took more than a decade to complete and check for errors!
In the late afternoon we took a local van to Monywa, packed with at least 12 other people, AC not always working. We arrived 4 hours later.

Thanboddhay Pagoda, feels like visiting a theme park. Lots of shrines and stupas in vivid colors.

A group of young buddha monks were also visiting.

Inside: Buddhas in every corner.

The walls are covered with more than 500.000 tiny Buddha statues.
Our next mopedstop is the site Maha Bodhi Tataung built in 1960 and dominated by two of the world’s biggest Buddha statues.

Arriving near the complex on our motorcycle was really impressive.
The standing Buddha was built between 1996 and 2008. It is the world’s second tallest statue, rising 116m high. The tallest one is in China. The statue is actually hollow with a 25 story building concealed inside, each floor decorated with vivid murals of Buddha’s life.

To grasp the size of these statues you need to look at the right hand corner where people are standing. Before the lying buddha of Mawlamyne was made, this was the largest one in the world.
The reclining Buddha was finished in 1991 and is 95m long. Apparently there is a plan to construct a third sitting Buddha in the hills, but we did not see any construction of that. As if we did not see enough Buddhas, we decided to take a trip with the motorcycle (30km) to the caves of Pho Win Taung.

Before entering the caves, a Thanaka treatment for my face.

Hundreds of cave shrines were cut in the hillside between the 14th and 18th century.

The Buddhas and mural paintings are really beautiful.

There are about 500 caves all with at least one Buddha inside.

On our way we stopped to watched the road being repaired the Burmese way. Mostly women doing the heavy work.

Tar is being poured on manually. In Stefan’s video you can clearly see how this is done.
Our heads were saturated with images of Buddha and we were ready for some lazy days at the pool! We travelled with another local van to Bagan, the main tourist attraction of Myanmar and our last stop on our journey before returning to Yangon to take the plane back to New Caledonia. We really enjoyed the 2 days at the pool of our beautiful resort hotel in Bagan (Bagan Heritage) but we still had lots of temples to visit and shopping to do in Bagan town.

After some discussion of going on a balloon trip because it was very expensive (450USD), Stefan decided not to go and I would enjoy the experience of being in a hot air balloon over Bagan. I left at 6 AM in the morning with a group of Spanish tourists.

I was in the balloon with 10 people from Barcalona, who did not speak one word of english and had their translator with them. It was really great fun.

Balloons over Bagan.

The Mingalazedi pagoda seen from the air.
From 1044 to 1287, Bagan was the capital as well as the political, economic and cultural nerve center of the Pagan Empire. Over the course of 250 years more than 10.000 temples were built from which today there are about 2000 left. The Pagan Empire collapsed in 1287 due to repeated Mongol invasions. The old capital became a pilgrimage destination and the capital was moved to Pinle.
We had 5 days to visit the temples but with the heat – 36 Celsius around noon – we were “pooped” by 3 PM and ended our visits then with a cold beer (or two). I do not recall the names of all the temples but we were amazed at the variety of the Buddha statues and the very beautiful temples. Sometimes there would be no other visitors but the famous ones were always crowded with Burmese visitors. Myanmar tourism was very low while we were there. It was the low season but on top of that tourism is suffering because of the negative press with the Rohynia. Nevertheless, we always felt very safe in Myanmar.

One of the many beautiful and yet deserted temples.

A simple Buddha. It was nice to stay inside for awhile and recover from the heat.

Everywhere at the entrance you need to take off your shoes and make sure your knees are covered. It was sometimes impossible to walk barefoot on the burning hot stones or sand and you had to run from one shaded area to the next.

At the end of the day we were covered in dust. It was good we had a swimming pool at the hotel.

Being alone in a temple was really a great way to relax and enjoy the peaceful quiet.

Children trying to convince Stefan to buy one of their self made postcards. Tourists in Bagan are not allowed to ride a motorcycle but luckily you can rent electrical bikes which come close to a motorcycle.

In the end we bought all the cards for a discounted price.

Bagan lies in an earthquake zone. Many temples were damaged during the earthquakes of 1975 and more recently 2016. Luckily, the damage was mostly minor.


Even in the small stupas there are sometimes huge Buddha statues which fill the room completely.

Stefan looked for a temple which you could still climb the stairs but we only found one. Because of the earthquake and a tourist falling to her death, they closed off the roofs in all the temples in 2016.


The Ayeryarwaddy river is a much needed refreshing and washing place in this dry area.

A detail of one of the gold crown that goes on top of the stupa. It is decorated with real diamonds, saffires, ruby, emerald etc. It is incredible how much money is spent on Buddhism in Myanmar.

The Ananda Paya, completed in 1090 is one of the most beautiful in Bagan.

There are is a 9m high standing Buddha in each corner of the temple. They are made from teak wood (one piece)and covered with goldleaf.

Nice and cool inside.


In many temples local people will hide from the heat, catch some sleep or sell handicraft items.

Typical smily Burmese children with their faces covered in thanaka to protect their delicate skin.

Stefan in admiration for yet another Buddha.

Bagan is famous for its lacquerware so we had to visit one of the local factories.

Lacquerware is made from bamboo with many layers of lacquer carefully dried and applied all by hand

The more lacquer used the better the quality. The designs are all done by hand.

All colors are natural except for the blue and the purple.

People are so friendly and never pushy to buy a souvenir but for many we were the only tourists that bought a souvenir in days. Sandpaintings are beautifully done.

One of my favourtie Buddhas found in a small deserted stupa.
Stefan and I were happily surprised by Myanmar and its friendly people. I could go a second time but during the month of November or December after the rainy season when the countryside is not so dry. Our heads full of memories of places and beautiful people, our bags filled with souvenirs we were ready to go back home to Sanuk.
In Mawlamyine gingen we nog met een groepje backpackers op een dagtrip naar een nabij gelegen eiland. Dat gaf ons de gelegenheid om op korte tijd veel kleine familiebedrijfjes te bezoeken. Alhoewel we de bomma en bompa van de groep waren, hadden we toch plezier met de andere groepsleden: twee Engelsen, een Ier (onverstaanbaar), twee Duitsers en een Francaise, allemaal van in de late twintig. Het geluk lachte ons toe, want plots kwamen we voorbij een trouwfeest. Onze gids, een charmante 75jarige Burmees troonde ons mee naar binnen. We troffen een zeer onwennige trouwer aan in zijn beste pak, naast zijn vlotte en Engels sprekende echtgenote. Na een halfuurtje vertrokken we terug, elk met een meeneem pakket eten dat uitmuntend bleek te smaken.
Op het eiland bezochten we ook nog een pijpmakerij (uitstervend beroep?), een kokosmatten fabrikant, een elastiekjesfabriek, een hoedjesmaker en een leienfabrikant voor de lokale scholen.
De elastiekjes productieccylus was interessant:
De mensen van de elastiekjesfabriek verdienen elk ongeveer 3EUR per dag,als het weer werken toelaat en aan het gekuch van de werknemers te horen is dit niet een echt gezonde bezigheid.
In Mawlamyine namen we een boot om via de rivier naar Hpa-An te varen. Een trip van 6 uur, onderbroken door een halfuurtje bezoek aan een klooster langs de rivier. Het klooster was idyllisch rustig, er waren enkele moniken en een paar devote Burmeese bezoekers. Verder was er niemand.

In tegenstelling tot vele anderen hebben monniken geen last van luizen.
Op de terugweg van het klooster naar de boot kwamen we wel iets meer aktie tegen: een hanengevecht. Twee hanen met hun verzorgers (nou ja, managers) werden flink opgehitst door geblaas op hun achterwerk. (Ieder zijn ding he). Toen de hanen allebei moe waren werden ze elk in hun hoek van het canvas bijgewerkt door hun verzorger: kop gewassen, een soort van drug (suiker?) werd met water geforceerd binnengeduwd en er werd een pluimpje aan beide kanten van hun kop gestoken. Toen gingen ze weer tegen elkaar tekeer. Net toen ik wou te weten komen waar dat pluimpje goed voor was, werden we weggeroepen omdat onze boot terug ging vertrekken. Nu gaan we het geheim van de pluimpjes nooit weten..
Na een verdere tocht van 4 uur op de rivier, waarbij we kiezelbaggeraars en kanos volgeladen met grote families tegenkwamen, kwamen we aan in Hpa-An. Dit is een niet toeristisch stadje (want moeilijk bereikbaar) dat toch een paar heel leuke attrakties te bieden heeft. We bezochten twee grotten met mooie Buddha vereringen, een bedevaartsoord op de berg en we kwamen een groepje schoolkinderen tegen die een traditioneel dansje aan het instuderen waren. Vooral de beklimming van de Zwe Ga Bin berg was een ervaring: in het dal, bij de Lambini Garden, stonden 1100 bouddha in symmetrische opstelling tegen een achtergrond van de 723 meter hoge berg. We deden er twee uur over om boven te geraken (bij een temperatuur van tegen de 30 graden), namen boven een uurtje de tijd om de bouddha’s en de gelovigen in ogenschouw te nemen bij het nuttigen van een glaasje Birma thee, en keerden dan terug naar beneden langs dezelfde steile trap, maar wel een half uurtje vlugger. Een leuke ervaring waar we de dag nadien nog hebben kunnen van genieten (in de bovenbenen).


Elke speciaal wankele rots of hoge berg huisvest een pagode. Ook deze hebben we beklommen! (Maar ‘t was maar 50 meter hoog)

Veel gelovige Burmanen beklimmen ook de berg. Wij vroegen ons beneden af waarom er een monnik zand in pijkleurige zakjes zat te scheppen. Het bleek dat je je verdienstelijk kan maken voor de bouddhisten als je een pakje bouwzand of een baksteen deels meeneemt naar boven. Deze man droeg er zelfs 4!

Na een honderd hoogtemeters mochten de bakstenen of het zand achtergelaten worden.

Daar links in de verte trekken we naar toe. Maar nu moet ik gaan want anders kan ik Ilse niet meer inhalen…

En ‘t was toch weer niet een stupa die daar boven stond zeker!

De keerzijde van de berg: de afvalberg. Ook dat is Myanmar.

Het begin van onze afdaling terug naar de vallei en zijn 1100 budhha’s. Onderweg kwamen we ook vele koppeltjes tegen die de berg beklommen, maar soms moesten de meisjes haast de berg opgedragen worden… En dan ineens zie je 80-jarige vrouwen die zonder forceren de berg opmarcheren met het doel om voor donker boven te zijn. Boven is er voor de Burmanen steeds onderdak en eten te verkrijgen.

Omgeving van Hpa’An met de scooter: traditionele woning met bananenblaren dak en zijkanten

Net buiten de Saddan cave: goudgele rijstvelden. Mooi.

Een van de vele tempels, maar ze zijn allemaal anders

Hpa-An mensen van het platteland komen waren kopen en verkopen via de rivier

Een Belgische schone tussen de Birmaanse


Overal vind je openbare waterkruiken om je dorst te lessen

Onze gids op het eiland: Antoine/Antonio/Antoon/Anthony

Het is wel geen Orvelo, maar het gaat binnen (geserveerd in het niet zo bijpassende glas… )