Gastverslag Jan Donck Whitsunday Islands Australie oktober 2018

Beste lezer,

Proficiat. U bent een volhouder. Na goed 3 jaar flutverhaaltjes en flauwe grapjes van kapitein Stef en zijn Engelstalige stuurvrouw (of zoals zal blijken vooral anker-gezellin), volgt nu een interessante episode, uw lectuur waardig. Er zal voor ieder wat wils zijn: avontuur, natuur, interessante wetenswaardigheden en erotiek.

Donderdag 11 oktober 2018. Aankomst op Hamilton Island, Australie

Vanuit het vliegtuig dat ons van Brisbane naar Hamilton Island brengt zien we plots allemaal puisten in de zee verschijnen. Gemotiveerd als we zijn om onze reis met Instagram-foto’s te documenteren en voor de hele ons bekende wereld aanschouwelijk te maken, kruipen we over elkaar heen om door het raampje mogelijks een glimp op te vangen van Sanuk.

Henning eiland, met op de achtergrond het Australische vasteland

Sanuk is, voor diegenen die het nu nog niet weten, de boot van kapitein Stef en Ilse, die tot in den treure al op deze blog is afgebeeld, meestal doelloos dobberend in één of andere verlaten baai in het hol van Pluto. Een reis van dergelijke omvang houdt meer dan één teleurstelling in, dus op de foto kan je Sanuk jammer genoeg niet zien. Bij voldoende vergroting zou dit wellicht nog lukken, maar omdat kapitein Stef principieel de resolutie van alle foto’s op de blog reduceert, bent u eraan voor de moeite. [nvdr: je kan op de foto’s klikken om ze in volle glorie te bewonderen… ]

Hamilton Island is een resort-rijke klodder aarde, ergens midden de Whitsundays eilanden. Het heeft een vliegveld met landingsbaan vlak naast de jachthaven, vol grote joekels van jachten genre Puerto Banus. Sanuk lag er niet tussen, want kapitein Stef hangt graag de non-conformist uit en verkiest  buitengaats aan een boei aan te leggen.  Goedkoop, leuk, maar niet praktisch als je met 2 grote reistassen, elk een rugzak en met je propere kleren aan in een versleten bootje (de “dinghy”) de oversteek van het eiland naar de watercaravan genaamd Sanuk dient te maken. Maar zoals je kan zien op de prachtige selfie: zij waren blij ons terug te zien, en wij in tegengestelde richting ook.

eerste weerzien sinds lang

De Whitsundays…, hm, waar komt deze intrigerende naam vandaan? (U zult van nu af iets bijleren, beste lezer, wees gerust). Kapitein Cook, bekend van de traveller checks, ontdekte de eilandengroep op Pinksterdag en noemde zijn vondst hiernaar. Dat je niet erg slim moet zijn om met een boot de wereld rond te varen en dingen te “ontdekken”, weze hier maar weer eens bewezen: Cook was zo lomp om zich een dag te vergissen. Hij ontdekte de 73-eilanden tellende groep op Pinkstermaandag, een bank holiday nota bene. De correcte naam is dus Whitmonday Islands, die we hierna consequent zullen gebruiken.

Het begin, op naar Sanuk!

Vrijdag 12 oktober. Paradise lost.

Ontbijt al fresco op het achterdek met een overvloed aan toespijs, gebunkerd daags voordien in Airlie beach door onze gastheren.  De zon brandt de wolken open en kapitein Stef zit al klaar achter het roer, in zijn gewone outfit, een “spanné” onderbroek uit de 3-suisses kataloog van 1975. Op naar ons eerste avontuur. Sanuk brengt ons tot voor de kust van Lindeman Island. Adepten van Club Med zijn er misschien nog GM geweest, maar sinds januari 2012 is de laatste GO er vertrokken, officieel omwille van orkaanschade, in realiteit omdat Aussies en China-men het gehad hadden met dwaze Franse liedjes (A- ga-dou-dou-dou-pousse- l’ananas-et-moule-café) en onnozele groepsactiviteiten (Aqua Gym) waardoor de zaken minder goed gingen. De Chinezen – onderschat ze niet – komen langs de achterdeur weer binnen door het hele eiland op te kopen via een Australische stroman-firma “White Horse” voor 12 miljoen dollar. Ze plannen er 355 suites en villa’s, een compleet dorp met restaurants, een marina, een 4 hole golf course (voor wie te lui is om er ocharme negen te spelen) en voor de schone schijn een “coral planting program”.  De airstrip zal worden opgewaardeerd om er met je privé-jet in alle weersomstandigheden te kunnen landen.

We gaan op onze eerste uitstap. De buitenboord doet het (nog) voorbeeldig.
vervallen ex-Club Med dorp op Lindeman eiland

Hoe ik dat allemaal weet? Gewoon…

Kapitein Stef, pleegt meestal daar aan land te gaan waar het het minst evident is. Zo ook geschiedde op Lindeman. Flipper (voor wie het nog niet wist: geen dolfijn maar een dinghy) werd te water gelaten en liet goddank na 5 snokken aan het koordje een min of meer geruststellend motorgeluid uit zijn buitenboord weerklinken. We kwamen aan land bij een klein strandje vanwaar het meteen steil bergop door het hoge gras naar boven ging, naar de top. We lieten de vrouwen voorop gaan, je weet maar nooit dat er giftige slangen verscholen zaten tussen de vegetatie. Eenmaal boven, kon je niet alleen Sanuk zien, maar ook dat er aan de andere kant van de berg een mooi pad vertrok vanuit de andere baai. We daalden gezwind de heuvel af over een lange airstrip, waar we helemaal op het eind een golfkarretje zagen naderen met daarin één dikke en één héle dikke Australiër. Vriendelijke man, trouwens, die hele dikke. Op onze vraag hoeveel inwoners Lindeman telde kregen we prompt het antwoord “Only one, and that’s me”. Blijkbaar was hij de concierge van het resort in verval, in afwachting van de bouw van het nieuwe vakantieparadijsje voor de happy few. “Did you come from that side?” vroeg hij lachend, “It’s easier from the other side” en tot onze teleurstelling “oh but no worries, there are no poisonous snakes on this island”. Toeme toch, weeral een bewijs dat we niet voor het avontuur geboren zijn.

Zaterdag 13 oktober. Goldsmith Island. Mahaya Mahaya

Na onze avonturen op Lindeman Island zeilen we verder (trààg, mannekes, traag dat dat gaat!) zuidelijk naar Goldsmith Island waar we in een beschut baaitje voor anker gaan. Camping sauvage, heerlijk alleen, zonder buren, tot we plots gezelschap krijgen van een klein Australisch solozeilschip en niet veel later ook van een groot motorjacht, de Mahaya. Veel bling bling, blauwe lichtjes rondom en een constant zoemende generator. “Hm”, merkt Ilse, ervaren ankervrouw, op “waarom gaan die zo dicht bij de kust liggen?” De avond valt, en al hadden we gehoopt op een zelfgevangen visje (weinig lijnvis-expertise aan boord)), de Australian Ribeye smaakt heerlijk, recht van de Captain’s Grill.

veel show maar weinig vis op de plank…

Zo tegen middernacht vallen onze ogen toe en maken we ons op voor de nacht. Er is een stevig windje opgekomen en Sanuk dobbert  parmantig rond z’n anker. De golfslag zorgt voor een slaapverwekkende deining. Plots horen we onze buren heen en weer roepen en zien we Mahaya volle kracht vooruit en terug achteruit varen.  Ook de kleine zeilboot start de motor en komt na wat gemaneuvreer langszij. De schipper roept ons toe “I’m off, stay where you are” en kiest het ruime sop. Ondertussen blijft Mahaya verwoed voor-en achteruit varen, draaiend met zijn kont vervaarlijk dicht bij de rotsen aan de kant. Kapitein Stef neemt de microfoon van de VHF-boordradio ter hand en roept Mahaya op om te informeren wat de bedoeling is. De kapitein van Mahaya maakt na wat aandringen duidelijk dat hij zich wat verder van de kant wou leggen maar dat zijn anker vast is komen te zitten. Een kolfje naar de hand van kapitein Stef die onmiddellijk aanbiedt met de dinghy ter hulp te komen, gewapend met een gereedschapskist, slijpschijf en zijn tandenborstel voor het geval het even zou duren. Terwijl hij zijn koplamp en een sweather boven zijn spanné-ke aantrekt, houdt Ilse op Channel 16 de kustwacht aan de lijn die net informeerde wat er daar allemaal aan de hand was en of er nu iemand in gevaar is of niet. Een typisch Pan-Pan-geval (we stonden tenslotte in de keuken van Sanuk) en overduidelijk geen Mayday.  De schipper van Mahaya denkt daar kennelijk anders over, vermoedelijk opgepookt door zijn vrouw (of maitresse fantaseer ik erop los) die inmiddels luidkeels aan het roepen is op de achtersteven. Even later activeert hij zijn Epirb [nvdr:
Emergency Position Indicating Radio Beacon ], compleet van de pot gerukt (wie activeert nu voor zo iets zijn Epirb), dat weet het kleinste kind. Kapitein Stef zit inmiddels tevergeefs aan het koordje van Flipper’s buitenboord te trekken terwijl hij alsmaar verder van Sanuk afdrijft. Door het gewicht van de slijpschijf en alaambak dreigt  hij even kopje onder te gaan in de alsmaar wilder bruisende golven. Uit het niets duikt dan de kleine witte zeilboot terug op en gaat voor anker op de plaats waar hij voordien had gelegen. “Bring me to that ship” sommeert  de schipper kapitein Stef die nog steeds geen geluid uit de motor krijgt. Zijn wij blij dat we de oversteek van Lindeman naar Sanuk niet zwemmend of peddelend hebben moeten maken eerder die dag!

onze gastheer en gastvrouw Stefan en Ilse

Net voor hij zich voorneemt met rukken op te houden (sic) krijgt kapitein Stef zijn motor aan de praat en brengt de witte ridder aan boord van Mahaya.  Daar verstomd het gekrijs van de maitresse spoedig en na enige tijd zien we het motorjacht met succes het anker lichten en enkele honderden meters verder dobberend halt houden. Over de marifoon vraagt de reddende engel nu een lift terug aan kapitein Stef die vanop de brug van Sanuk de maneuvers heeft gadegeslaan. Dat is echter buiten de waard gerekend want Flipper’s buitenboord blijft weer zo dood als een pier. Van armoe wordt  de sympathieke Aussie-zeiler dan maar door de schipper van Mahaya met zijn eigen dinghy ter bestemming gebracht. De sterren flonkeren aan de hemel en de golven vallen stil.

daar gaan we morgen naar toe: Hook Island met Whitsunday beach

Zondag 14 oktober. Thomas Island

Een beetje later dan anders staat onze sympathieke gastheer in de kombuis van Sanuk  pancakes te bakken voor het ontbijt. Van Mahaya was geen spoor meer, afgedropen met de staart tussen de benen. Ook het andere jacht is voor dag en dauw vertrokken. Vandaag zeilen we verder naar Thomas Island. Onderweg houden we halt (pas op, dat duurt efkens) bij een klein eilandje dat er aanlokkelijk uitziet met z’n kleine witte strandje. Eens voor anker laten wij de kano te water en peddelen Pascale en ik naar de oever. Ilse volgt al snorkelend in ons kielzog. De kapitein daarentegen blijft aan boord en neemt zich voor Flippers buitenboordmotor aan een grondige beurt te onderwerpen.

oei, dat wordt er eentje voor de vissen
De kapitein heeft een goed gesprek met Flipper

Op het strand maken we kennis met een echtpaar Aussies, met duidelijk al wat zonuren op de teller. Vriendlijke mensen van naar schatting 70 jaar, afkomstig uit Bowen, een stadje ten Noorden van Airlie Beach. Ze zijn op reis met hun water-campervan, een piepklein motorjachtje dat parmantig naast Sanuk ligt te dobberen. Net zoals wij zijn ze enthousiaste ontdekkers van dit kleine paradijsje midden de Whitmondays. Of er iets te zien was misschien? Neen, en dat is nu juist de max, daar draait het rond voor zeilcruisers, het is niksen voor gevorderden.

onthaasten voor gevorderden

Na een goed gevulde dag niets-doen varen we bij valavond op autopilot terug naar Hamilton Island. De frigo was immers zo goed als leeg en de wasmand vol. In de Whitmondays vind je noch wasserette noch superette in elke uithoek van de Archipel, maar Hamilton Island heeft een IGA-supermarket (plastic bag free) en een wassalon aan de Marina! Tijdens onze overtocht spelen we het ingewikkeld gezelschapsspel Porto Rico, compleet nutteloze bezigheid, maar geheel in lijn met hetgeen we die dag allemaal hadden gedaan. Ankeren is één ding, maar aanleggen aan een mooring (boei) bij nacht is nog iets anders. Met een lange stok moet je – zoals je plastiek eendjes vist op de kermis – het meertouw proberen op te pikken en vervolgens een touw door het oog aan het eind ervan halen om het schip vast te leggen. Kapitein Stef mag graag toezien als Ilse op haar buik ligt en met het tipje van de tong tussen de lippen deze precisieklus klaart.

Maandag 15 oktober. Hamilton Island, “Your Island escape awaits”

Met Flipper, die nog altijd zijn nukken heeft ondanks kapitein Stef’s goede zorgen, varen we na het ontbijt naar de marina van Hamilton Island. We leggen aan tussen de grote motorjachten, benieuwd of we Mahaya niet zullen zien liggen. De hysterische maitresse van de schipper zou perfect passen tussen de vele vakantiegangers die in golfkarretjes rondzoeven op de goed onderhouden wegen van het eiland. Hoge buildings wisselen af met resorts bestaande uit luxe-villaatjes rondom blauwe zwembaden. Maar geen Mahaya te zien.

Wandeltocht op Hamilton eiland, de hoogbouw ligt ver achter ons

Als je even de moeite neemt om hogerop de weg te volgen kom je bij het begin van een wandelpad (“From bushwalking to art classes, you’ll never find yourself short of something to do on Hamilton Island”). Bush walking, zou het voor ons dus worden. Prachtige wandeling naar het hoogste punt van het eiland. Overal langs het pad zie je van die zwarte pieken de lucht in priemen met aan hun basis een toef gras. “Black boys” worden ze genoemd, al is dat tegenwoordig een politiek incorrecte naam (straks mogen wij ook niet meer spreken van “vrouwentongen”, waar gaan we in godsnaam naartoe). Xanthorrhoea spp of Balga Grass Plants zijn planten die alleen in Australië voorkomen. Ze groeien (traag) op weinig vruchtbare bodems en houden van een beetje vuur aan hun schenen. De dode blaren onderaan de stam beschermen tegen de hitte van een bushbrand en eens ze verteerd zijn begint de plant te bloeien, want de as in de bodem blijkt als meststof te dienen. 

de Whitsunday’s zijn een aanschakeling van eilandjes

Eens terug beneden hebben Pascale en ik de enige niet-pluchen Koala gezien van de ganse reis. Hij zat als attractie voor de resort-crowd op een terras in een namaak-eucalyptustree op zijn gemak een blaadje te knabbelen. De reis kon toen al niet meer stuk.

Hook Island met Whitehaven Beach, daar gaan we morgen naar toe

Dinsdag 16 oktober. Whitsunday Island. Whitehaven Beach, postkaartstrand categorie *****.

het begin van Whitehaven beach, op weg naar een strand ligplaats

Vertrek op tijd als je Whitehaven beach wil aandoen, want toerboten vol toeristen komen graag picknicken op wat sommigen het mooiste strand ter wereld noemen. Met een koelkast vol lekkers, propere kleren en gewassen haar (grapje, want ook op de boot is er shampoo) zeilen we van Hamilton Island langs de zuidkust van Whitsunday Island doorheen de engte langs Teague en Haslewood  Island. Om de hoek ontvouwt zich het kilometerslange witte strand van Whitehaven. De schakeringen van het blauwe zeewater, de lucht en de wolken boven het parelwitte strand zijn prachtig. Wat een genot telkens Ilse weer het ankerritueel uitvoert. Op de voorplecht staand, benen lichtjes gespreid, streelt ze het touw liefdevol terwijl het anker in de diepte zakt.  Met de rechterhand geeft ze signalen aan de kapitein, een beetje vooruit, een weinig achteruit, iets naar links, ja daar, goed zo, en nu een beetje terug. Met de linker bedient ze het knopje van de remote control, een beetje op of een beetje neer, juist genoeg, niet teveel. En wanneer de kapitein eindelijk tevreden achterover leunt en zijn goedkeuring uitspreekt over de spanning die op de bridle zit, tovert ze een mooie glimlach op haar gelaat. Mission accomplished, we liggen vast.

Ilse doet het delicate ankerritueel. Stefan volgt haar arm-aanwijzingen op

Flipper brengt ons aan wal. Op het hagelwitte strand ligt her en der wat decoratief zeewier, of een fotogenieke tak, maar ook tekeningen in het zand ,vertrekkend uit kleine holletjes gegraven door artistieke krabbetjes. Zigzaggend tussen al dat moois bereiken we een wandelpand dat doorheen dichte vegetatie slingert tot aan het strand van Chance Bay. Onderweg komen we deze sympathieke knaap (“Wat ruist daar door het struikgewas?” tegen (foto). Eens terug op Whitehaven Beach is het tijd voor een paar staatsiefoto’s. Tevreden na een dag op het mooiste strand ter wereld zeilen we met Sanuk terug noordwaarts waar Ilse en Kapitein Stef terug het ankerritueel uitvoeren en de duisternis intreedt. Bij het flikkerend licht van de open haard luisteren we naar de Podcast van VRT NWS over de Gentse verkiezingsuitslag.

Woensdag 17 oktober  Hook Island – “Sleeping with the fishes”

Van Whitsunday Island cruisen we na het ontbijt in noordelijke richting naar Hook Island. Manta Ray Bay is gekend als een goeie plaats om te snorkelen. De kapitein brengt er ons feilloos naartoe, en waarachtig: Ilse heeft het anker nog niet neergelaten of de boot wordt al omzwermd (of is het omzwemd?) door een bont gezelschap van vissen. Even later komt een motorboot naast ons surplacen. Twee bemanningsleden in uniform vergezellen een jong koppel (honeymoon, I presume?) dat ook komt fish-spotten. De stuurman graait in een emmer met visafval en strooit het naast de boot in het water. In een minimum van tijd krioelt het van de vissen, net een tropisch aquarium. Een paar potige Aussie dames liggen wat verder te dobberen met hun Zodiac en uiten luid hun ongenoegen: “Don’t feed the fish, this is a marine reserve!”. De motorboot trekt zich snel terug.  Nu is het onze beurt.

Ilse kan maar niet genoeg krijgen van de visjes

Voorzichtig laten we ons te water via het trapje aan de achtersteven van Sanuk, compleet met snorkel en wetsuit (tegen de stingers, kwallen waarvan er sommige zo gifitig zijn dat je er het bijltje kan bij neerleggen). Kapitein Stef vindt dat allemaal flauwekul en springt met alleen zijn snorkel en zwemvliezen aan (én zijn spannéeke, no worries) in het water. Wat een drukte, precies rush hour! Meest in het oog springt de Giant Napoleon, een brave loebas van een vis (dixit Ilse, die hem enthousiast begroet), maar ook de iets kleinere Giant Trevally (“the GT” zeggen machovissers wel eens) is best wel impressionant. Verder zien we parrot fish, surgeon fish en veel gewone fish (als ze op de kaart staan van een restaurant ken ik ze, maar anders zegt hun naam mij niets). Eens terug aan boord duikt kapitein Stef in het motorruim en begint wat te rommelen. Hij heeft hiervoor een cursus gevolgd, en moet dat af en toe eens demonstreren. Gelukkig start de motor na deze interventie nog en kunnen we onze reis verderzetten. We tuffen naar Stonehaven Anchorage aan de oostkust van Hook Island waar we ons installeren voor de nacht.

Donderdag 18 oktober. South Molle Island – Debbie was here.

Onze Odyssee langs de Whitmondays begint op zijn einde te lopen maar niet getreurd, er komt nog een spannende episode. Eens het ontbijt achter de kiezen en de tanden gepoetst voert de autopilot (u dacht toch niet dat Kapitein Stef één keer zelf heeft gestuurd?!) ons veilig naar het meest zuidelijke van de Molle Islands. We ankeren in een mooie baai waar we de ruines van een resort zien liggen met een bouwvallige jetty. South Molle Island was ooit een bruisend vakantieoord, in de jaren ’50 was de leuze “carefree days and carnival nights”. In het heelal is ’t alle dagen karnaval. Vandaag dus niet meer, cycloon Debbie heeft er een eind aan gemaakt zo’n 2 jaar terug. Wanneer we over het keienstrand naar het werfhekken toelopen dat de bouwvallige bungalows afschermt voor indringers, horen we plots uit een stel luidsprekers een stem die ons waarschuwt “Warning, you have been filmed, a patrol is on its way” met op de achtergrond hondengeblaf en loeiende sirenes. Wij doen het bijna in ons broek, van het lachen. Even verderop is er een pad dat ons omhoog leidt door het National Park. We wandelen door bos achter een duo rare vogels op hoge poten die het vertikken  te vliegen. Eens boven op de heuvel worden we getrakteerd op adembenemende vergezichten op de oceaan en de omgevende eilanden en eilandjes. De black boys zijn ook weer van de partij. Een kolonne toeristen met jetskis (lawaaierige quads van de zee) trekken witte sporen op het blauwe water. Onvergetelijk mooie wandeling. We dalen af en komen bij een pad met een verboden toegangbord. Een kolfje naar de hand van Kapitein Stef. We negeren het bord en banen ons een weg doorheen het struikgewas waarna we aan de achterkant van het resort terecht komen,  daar waar het golfterrein lag en waar je een tennisballetje kon slaan. Het zwembad ligt er leeg en troosteloos bij. De stem uit de luidspreker dreunt hetzelfde tekstje af, honden blaffen, sirenes loeien, maar de patrouille is in geen uren te bekennen. Sanuk heeft intussen gezelschap van een vriendje gekregen en ontvangt ons met open armen terug.

We varen weg van South Molle Island, het gevaar is geweken denken we. Tot Kapitein Stef plots een ruk aan het roer geeft en roept “we varen op een rots!”. Pff, Sissie! Dit is geen rots, maar een vlek drijvend stuifmeel die er als een rots uitziet. Ook op zee bestaan fata morganas. [ nvdr: dat zag er nochtans zeer levensecht uit, ik deed het bijna in mijn broek(je) ]

Bij valavond richten we de steven naar Airlie Beach, het eindpunt van weer een zalige dag. We ankeren voor de marina en liggen niet alleen tussen dansende lichtjes.  Met Flipper (altijd een spannend moment: start ie of start ie nie) bereiken we het Australische vasteland.

Airlie is niet veel speciaals. Veel jong volk dat wel, bars, winkels en enkele restaurants. In Fish D’Vine and Rum bar kan je eerst een cocktail achterover slaan en dan Fish and chips. Lekker en genoeg!

we vieren een geslaagde vakantie

Dag 8 Airlie Beach – Ze zijn van ons af

De zon brandt al enthousiast aan de hemel als we op het achterdek ontbijten. Onze reiskoffers zijn gepakt. Flipper brengt ons vlot en zonder gesputter naar de marina (blij van ons af te zijn, denk ik). In de centrale straat van Airlie Beach vinden we een Avis/Budget kantoor en verderop nog een andere verhuurder.  Er blijft nog 1 auto over: een Hyundai i30 in een spuuglelijk blauw. We nemen hem, want we willen noordwaarts naar Mission Beach, Cairns en Porth Douglas van waaruit we op excursie naar de Great Barrier Reef zullen gaan en ook naar Daintree National Park.  Met een krop in de keel nemen we afscheid: afscheid van een zalige week slow travel op Sanuk, afscheid van een super gastvrij koppel vrienden, die weten hoe het moet: Sanuk = carpe diem (amaai nog nie!). Bedankt Ilse en Stef!

nu nog zorgen dat we niet kantelen op weg naar de kant
Helaas, het bezoek zit erop

Augustus 2018 Solomon eilanden, deel 2

(Voor alle duidelijkheid, we zijn ondertussen dec 2018 en terug in Belgie, maar dit is een terugblik op een mooi stukje van onze reis)

Na mijn herstel van mijn beeninfectie in het hospitaal van Lata zijn Ilse en ik terug verder getrokken op onze zeilreis door Solomon. Nadat ik van de dokter en verpleegsters een volledige ontsmettingskit meekreeg en ook de nodige pillen om mijn antibiotica kuur geleidelijk af te bouwen, waren we blij om terug verder te trekken. Onze eerste stop was het eiland San Christobal, zo een drie dagen (en twee nachten) varen. In het stadje Kira kira was er net een bananen festival, want San Christobal is ervoor gekend.

Lokale talentengroep, voor hun optreden. Tweede mevrouw van links heeft wat te veel aan de betelpalm noten gezeten, haar grasrokje hangt rond haar nek.
Het optreden zelf. Ik zou dit vergelijken met een optreden van Eddy Wally bij ons op de kermis, lekker fun maar niet echt gesofistikeerd. Mevrouw achteraan rechts zorgt voor een touch autenticiteit.
H
Hergé zou blij zijn met deze bananensoort die rechtop groeit
Bananensoorten genoeg, alleen al op dit eiland zijn er meer dan 100 verschillende soorten

Na KiraKira vaarden we naar de noordkant van het eiland, om de volgende dag een korte oversteek te hebben naar Guadalcanal. We meerden aan voor een tijdelijk dorp dat hout kapt voor de export. Dit is een van de problemen van Solomon, een chef van een dorp verkoopt de rooi rechten, strijkt het geld op en verdeelt dit al dan niet over zijn stamgenoten. Ondertussen ziet de natuur erg af en duurt het herstel lang.

Alle materiaal om bos te rooien wordt aangevoerd en ook weer meegenomen, althans de machines die nog werken. De rest wordt achtergelaten als schroot op de zwaar diesel-vervuilde grond.

De volgende dag zijn we alweer op weg naar het eiland Guadalcanal. Dat is vooral gekend door de Amerikanen, de Australiers en de Japanners want het was het toneel voor een beslissende fase van de tweede wereldoorlog. Maar eerst komen we op het uiterste zuidpuntje aan bij een welkome afwisseling: het toeristenverblijf Tavanipupu resort. Er waren geen betalende gasten en dus konden we als cruisers rondlopen op het prachtige domein en met de lokale manager mee aan tafel aanschuiven. Ilse kreeg zelfs een massage aangeboden in ruil voor het afstaan van de auteursrechten van de foto’s, die je kan bewonderen op de website van het resort.

Maar we konden natuurlijk hier niet eeuwig blijven… dus heb ik Ilse ‘s nachts met de boot ontvoerd. 😉

Vlakbij het resort was er een jaarlijkse bijeenkomst van een lokale stam. De priester die we ontmoet hadden in het resort nodigde ons uit. Na een lange trip met onze trouwe flipper (bootje) en heel wat zoekwerk zagen we uiteindelijk een grote collectie canoes liggen, en wisten we dat we juist zaten. We waren de enige vreemdelingen onder een honderdtal mensen vanuit de omliggende dorpen. We aten mee met het traditionele ontbijt, biscuit koekjes en thee met melk en suiker. Daarna was er een rondleiding met de chef van het dorp, gevolgd door kleine optredens. We zagen de meisjes zingen (zo zo), de vrouwen dansen en kerkliederen zingen (zo zo) en daarna kwamen de jongens. Eerst de kleinsten en daarna de grotere. Iedereen lag plat van het lachen. Geniet met ons mee:

Aalsters carnaval in de Solomons

Maar we trokken verder en kwamen in de hoofdstad Honiara samen met nog twee andere cruisers die we reeds in Lata hadden ontmoet. De haven was piepklein met misschien plaats voor vier boten, dus we bleven buiten voor de ingang geankerd. Gelukkig zat het weer en de golven mee en hadden we geen onvoorziene her-ankeringen. Omdat het wereld voetbal toernooi aan de gang was, en heel populair is in de eilanden van de stille Zuidzee, kregen we naargelang het tornooi vorderde steeds meer supporters van Belgie. Het werd dus steeds gemakkelijker om uit te leggen waar we vandaan kwamen.

The birds…

En verder ging de reis. We namen een zijuitstap naar de baai van Roderick waar een klein cruiseship een grote botsing had gehad met een rif. Er was zoals steeds een toeloop van families met canoes die groenten en fruit wilden wisselen voor kleren of andere nuttige dingen. We geven bijna nooit direct iets, maar proberen altijd te wisselen, ook al zijn beide zijden niet in evenwicht. Alleen was de vraag van de lokale chef John Piluca (Niet te verwarren met de aimabele John Ruca) om een ankervergoeding te geven er te veel aan, na onze gulle uitwisselingen. De arme stakker die hij erop uit stuurde om te ontvangen heeft een tirade over zijn hoofd gekregen…

Tenslotte reisden we af naar onze check-out stad in Solomon, Noro. We passeerden onderweg nog een natuurpark Tetepare dat absoluut de moeite van het bezoeken waard is, als de zee niet te wild is tenminste. Anders kan je verblijf er wel eens met een week verlengd worden …

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Onderweg naar Noro kregen we een regenvlaag over ons.
De vaarweg naar Noro loopt langs dichtbegroeide eilanden en door kanalen.
Sanuk voor het dorp van Noro, een kleine witte stip op het blauwe water…

Na Noro stond er een serieuze tocht op ons te wachten, dus gooiden we de dieseltanks nog eens vol met 400 liter taksvrije diesel. Helaas wat te enthousiast, want ik kreeg een dieseldouche over me heen. Gelukkig kijken ze er hier niet te erg naar als er een tiental liter diesel in de zee gemorst wordt. Het zou in Australie of de USA een dure keer geworden zijn…

Volgende keer meer over ons bezoek aan de Louisiades, een deel van Papua Nieuw Genua.

Augustus 2018 Solomon Islands, Stefan in het Lata Hospitaal!

Toen we gingen vertrekken uit Vanuatu liep het even mis voor mezelf. Ik trapte op een open blikje SPAM en schaafde een sneetje hiel eraf. Veel bloed maar het hing er nog met een kantje aan en we konden het er terug op plakken. Ik kreeg de volgende dagen geen stijve nek of trok geen grotere grimassen dan anders (tetanus symptomen), dus we verzorgden de wonde zo goed mogelijk en zorgden ervoor dat ik niet met mijn voet in het water kwam, door middel van een plastieken zak onder een kous. Alhoewel ik vreesde voor een infectie die wel eens onze reis zou kunnen verkorten, bleef die gelukkig uit. Althans op die plek…

We vertrokken uit Sola  vanop het eiland Vanua Lava van Vanuatu op 15 september 2018 voor een 5-daagse reis naar Solomon. Eerst nog een (illegale) stop in het vulkaaneiland Ureparapara en het Torres eiland Loh voor we aankwamen op het eerste Solomon eiland:  Utupua. Maar onderweg van Loh naar Utupua werd het duidelijk dat een kleine wonde op mijn rechterbeen – de grootte van een muggebeet – aan het ontsteken was. Met de dag werd dit erger, en we consulteerden onze huisarts via satelliet email. Van de hele resem antibiotica die we mee hadden bleek geen enkele de juiste te zijn. … Die hadden we net weggegeven in Loh aan een medisch centrum daar. 

We zijn na een dag rusten in Utupua terug doorgevaren naar het check-in plaats Lata op het Solomon eiland Ndendo. Onderweg had ik lichte koorts maar anders voelde ik me redelijk alhoewel mijn been snel verslechterde. Gelukkig was er een hospitaal in Lata met een dokter. 

We kwamen aan op een vrijdag en na de checkin procedure (Douane, Immigratie, Quarantaine) ben ik op visite geweest bij een verpleger van het hospitaal met mijn gezwollen been en infectie. We kregen antibiotica mee (Cloxacillin 500mg en Amoxicillin 500mg) naar de boot. Maar tegen de maandag was er nog geen verbetering zichtbaar, dus zijn we opnieuw naar het hospitaal geweest. Nu was de dokter er, Suzy, en die verhoogde de dosis antibiotia naar Cloxacillin 2000mg. Maar omdat de Cloxacillin enkel nog beschikbaar was als baxter moest ik 4 keer daags ( 06:00 12:00 18:00 22:00)  naar het hospitaal. Sanuk lag echter aan de andere kant van de baai geankerd, met telkens een tien minuten durende overtocht. Daarom besloten Ilse en ik  dat het beter was voor mij om in het hospitaal te overnachten. In de voormiddag ging ik dan op bezoek bij Ilse op Sanuk, en ging dan tegen de middag terug naar Lata hospitaal. Ik lag samen met nog enkele andere mannen op de kamer, en met ‘s nachts veel gezelschap van gekko’s.

Na een weekje mocht ik het ziekenhuis verlaten. Ik kreeg een voorraad wondverzorging producten mee en hun laatste voorraad Gloxacillin (500mg). Als dank voor de goede verzorging nodigden we de verzorgingsploeg uit op Sanuk voor pannenkoeken. Na enig aandringen was het hospitaal ook bereid om een faktuur voor mijn verzorging op te maken, zo hebben we hen ook een klein beetje kunnen helpen.

Dokter Suzy tweede van links, en twee van de drie verpleegsters. De pannenkoeken met Nutella waren een hit!
Mijn been op vandaag 20 october 2018. Ik noem het mijn Solomon tatoo. Van de wonde aan mijn hiel is niets meer te merken.

juni 2018 heerlijk Vanuatu

voor ons vertrek van Nieuw Caledonie naar Vanuatu, nog even genieten van de prachtige Gaji baai op Ile des Pins in Nieuw Caledonie
terugkeer van snorkelen

De overtocht was snel (22 uur) voor 171 Nm, of 14,4km/uur. Het was wel nogal woelig omdat we de hele weg scherp aan de wind vaarden (60° AWA) met golven van 2 à 3 meter (golven zien er altijd klein uit op video). We waren dan ook blij dat we konden ankeren in Anatheum baai en gaan slapen. Tijdens de nacht doen we elk shifts van 3 uur en het duurt een paar dagen voor je in dat ritme komt.

Na de overtocht, aankomst op het eiland Anatheum. Klein wandelingetje  aan de noordkant op het koraal bij laag water.
Ons eerste doel, de vulkaan Yassur op het eiland Tanna
Onze dochter Emma en haar vriend Séba komen op bezoek. We halen ze op in de luchthaven van Lenakel met de lokale bus.
Ik: … we zullen jullie deze twee weken verwennen als royalty

De stam die aan de toegangsweg van de vulkaan woont, geeft haar toestemming voor een bezoek na een consultatie met de goden.
We rijden met een jeep tot bijna aan de top van de vulkaan. Dan nog een trap naar boven. Hier is het aardse geweld serieus indrukwekkend
Bukkken want hier komt een lading lava aan
Vooral als de zon onder is komen de kleuren en het geweld op je af
Op weg naar het volgende eiland Epi vangen we een mooie wahoo
Ook onder water is Vanuatu mooi
spinaziegroen hertegewei … onder water
Tussentijdse snapshot tijdens haarsnit
Emma heeft een bootje gevonden om mee te varen

 Séba ook… op weg naar een demonstratie van bungi jumping avant la lettre
Op een helling in het eiland Pentecost staat een 15 meter hoge toren gebouwd rond de resten van een boom waarvan de kruin is gekapt. Indrukwekkend! 
Van elke springplatform lopen lianen naar de voet van de toren. De lianen worden ‘s nachts verpakt in bananenbladeren om ze soepel te houden
de chef van de stam (daarnet nog in short en T-shirt, nu in traditionele kledij met peniskoker) inspecteert de toren op geschiktheid
Ze worden er goed voor betaald, maar mij zouden ze toch niet zo gek krijgen om op het bovenste platform te kruipen, laat staan te springen.
Omdat Ilse zei nog nooit Kava gedronken te hebben, kregen we een privé demonstratie van het kavamaken door een stamlid. Ingrediēnten: de fijngemalen wortel van de kavaplant, water en veel handarbeid.
Het drinken van de kava geeft een tintelend en verdovend gevoel aan de tong en lippen. De maker kijkt vol spanning toe hoe Ilse het er van zal afbrengen. Het blijkt dat ze geboren is om kava te drinken,,,

 Séba vertrouwt het niet en geeft het snel door na een proevertje. Het ziet er dan ook uit als modderwater, en de smaak is duidelijk een kwestie van gewoonwording.
Op weg met onze Flipper naar een blue hole. Langs een riviertje dat eindigt bij een diep meertje met een ondergrondse bron:
de blue hole. De kleur komt van het koraalgesteente waar het water door omhoog welt
enorm rustig en mooi varen door ongerepte natuur
De markt van Lugainville op het eiland Santol. Vooral veel soorten wortels, maar ook bananen, appelsienen, ananas, popo (papaya) en bonen, zo dik als een arm.
Het resultaat van een uitbarsting van de Yasur vulkaan, 40km hiervandaan. Pas na twee dagen kuisen zag Sanuk er weer treffelijk uit.
op bezoek in een dorp op het eiland Ambrym, zoals overal buiten de steden is er bijna nergens stromend water of electriciteit. Toch zijn de mensen heel vriendelijk en blij. Ze leven in harmonie met wat de natuur hen schenkt.
als verwelkoming bij het dorp Lesalav op het eiland Gaua kregen we twee kokosnoten van dorpsleider Gensly als verwelkoming. Overal ruilden we klederen en gebruiksvoorwerpen tegen natuurproducten. Dankzij de familie Bart Cami hadden we veel tweedehands kleding om uit te delen. Nogmaals bedankt Bart en Katleen!
Van jongsaf aan wordt er geleerd om met een machete of mes om te gaan. Ik krijg er nog steeds kippevel van als ik ze bezig zie.
ook de meisjes laten zich niet onbetuigd. Hier worden kokosnoten geschild.
Deze familiefoto hebben we afgedrukt en cadeau gedaan. Overal zijn er enorm veel kinderen.
we maakten een dagtocht naar het meer van een uitgedoofde vulkaan. De gids is verplicht om over de stamgronden te mogen, maar ook broodnodig.
Tropisch regenwoud: het pad wordt gebruikt door de lokale mensen, maar een gids met machete maakt het begaanbaar voor ons
de zondagsmis op het eiland Loh, iedereen op zijn best
Na de mis blijkt het eb geworden te zijn, maar geen nood, helpende handen genoeg. De Ni-vatu (mensen van Vanuatu) zijn altijd super vriendelijk maar schrikken er niet van terug om aan de cruisers zoveel mogelijk gerief te vragen. Wie niet waagt, niet wint.

April – Mei 2018 De oostkust van Nouvelle Caledonie

Toen we terugkwamen van Myanmar lag Sanuk op ons te wachten bij Carenocean Carenage (bewaring op het land). Hierna een beeldverslag van onze reis met Sanuk vanop het land in het water, en dan langs de oostkust van Nieuw Caledonie.

Welkom thuis: na elk verblijf op het droge is het een weekje werken om alles weer in zeilklare staat te krijgen
De saloon is een opslagplaats voor de zeilen en buiten kussens…
Een teer punt bij Lagoon: na 7 jaar is het beste van de privacy screens er af.
Het oude eraf…
… en het nieuwe erop
In Noumea krijgt Sanuk een retouche van de vensters en haar naam. In de achtergrond het nieuw venster.
Even een foto maken die moet dienen om Sanuk te verkopen. Reisgidsen op tafel, navigatie instrumenten aan, bevallige eigenares aan tafel. Het plaatje klopt.
Verkoopsfoto: Flipper, onze trouwe auto die ons al veel dienst heeft gedaan en ons ook al enkele avontuurtjes bezorgd heeft.
Voor we vertrekken naar Vanuatu en Solomon: provisie opdoen nu het nog kan. (NC is duur, we hadden voor 1000EUR)

We zijn vertrokken: van Noumea langs de kust via het Woodin kanaal naar Ouara baai.

Een rif bij het eiland Ouen. Het blijft altijd goed uitkijken en enkel met mooi weer te bevaren.
Ouara baai: Over het koraal via de gangplank, het diepe water in waar Sanuk ligt te wachten.
Ile Ouen, wandeling met bewolkt weer.
Zicht op Sanuk vanop de top van Ile Ouen
Op weinig gebruikte paden kom je soms valstrikken tegen die over het pad gespannen zijn.
Isle des Pins, baie de Gadji: fikse regenbui op komst.
Voor in het geval we verloren lopen. Toffe wandeling in Yate.
Het zoetwater spaarbekken van Yate, gevoed door de blauwe rivier. Zicht tijdens onze wandeling.
La riviere bleue, na de afsluitdam… Er is een gans systeem van sirenes want af en toe openen ze de spui(t)gaten en dan wil je niet aan het spelen zijn in een van de zwemputten.
Het water van het stuwmeer wordt naar de electriciteitscentrale van Yate gebracht.
Sanuk ligt net achter de linkse helling. We begonnen beneden aan de rivier en hebben nu zicht op de electriciteitscentrale van Yate.
Zijn er heel veel stervende bijen, of vallen ze gewoon meer op met een witte achtergrond? Dit hebben we al veel gezien op onze reis.
De zwarte limestones, kenmerkend voor de baai van Hienghene. Dit was het meest noordelijke dat we gevaren zijn.
Vlak na de rotsen ligt de baai van Hienghène, ook bekend als ‘la poule’
Bezoek aan boord
Mere poule (rechts) zorgt voor haar kuikentje (links midden)
Een mooi wandelingetje, maar ze hadden ons gewaarschuwd dat er al een tijdje niet meer was gemaaid.
Ilse gaat onverschrokken het struikgewas te lijf. Dit is het wandelpad.
De passieve doorstuurantennes van OPT (Office des Postes et Telecom), zo geraakt het internet langs de kust.
Het heeft even geduurd voor ik doorhad dat het bord niet op pluimvee slaat, maar op de staat van het wegdek.
Varend in de lagune, met zicht op het land en zijn afgeschraapte bergen. In het midden blijft er van een kanjer bijna niets over.
De rijkdom van Nieuw Caledonie zit hem in de grond. Hier wordt het ijzer- en nikkelerts verscheept voor versmelting in de fabriek van Prony
Deze berg is nog intact. Vele inwoners zijn niet echt gelukkig met de mijnen, maar aan de andere kant is dit de rijkdom die het verschil maakt met vele andere Stille Zuidzee eilanden.
Een typische weg aan de oostkust. Eens de hoofdweg af is het onverhard. 
De baai van Canala, tussen de mangroves in op weg naar de ‘stad’ (gemeente) Canala
Altijd zonnig weer op Sanuk!
Het lokale ‘franse’ brood
(we zijn duidelijk de hoofdstad uit) , en daarachter Ilse haar zelfgebakken brood, lekker!
De piepkleine marina van Touhou, enkel voor lokale boten. Sanuk ligt buiten voor de ingang.
Inkopen doen op de lokale markt van Tadine, Mare eiland
Mare: in de gids stond dit als een lokaal restaurant. Het bleek een snackbar bij het vliegveld, met enkel een dagschotel.

Hierna gaan we op weg naar Vanuatu, een reis van 22 uur die ons bij een nieuw land brengt en ook het bezoek van onze dochter Emma en haar vriend Séba. Dit wordt een volgende blog.

maart 2018 Hpa-An, Myanmar

In Mawlamyine gingen we nog met een groepje backpackers op een dagtrip naar een nabij gelegen eiland. Dat gaf ons de gelegenheid om op korte tijd veel kleine familiebedrijfjes te bezoeken. Alhoewel we de bomma en bompa van de groep waren, hadden we toch plezier met de andere groepsleden: twee Engelsen, een Ier (onverstaanbaar), twee Duitsers en een Francaise, allemaal van in de late twintig. Het geluk lachte ons toe, want plots kwamen we voorbij een trouwfeest. Onze gids, een charmante 75jarige Burmees troonde ons mee naar binnen. We troffen een zeer onwennige trouwer aan in zijn beste pak, naast zijn vlotte en Engels sprekende echtgenote. Na een halfuurtje vertrokken we terug, elk met een meeneem pakket eten dat uitmuntend bleek te smaken.

Op het eiland bezochten we ook nog een pijpmakerij (uitstervend beroep?), een kokosmatten fabrikant, een elastiekjesfabriek, een hoedjesmaker en een leienfabrikant voor de lokale scholen.

De elastiekjes productieccylus was interessant:

  1. rubber van rubberbomen wordt gemengd met ammoniak en een uur lang doorgeroerd.
  2. houten palen worden in de gekleurde oplossing gedompeld en omgekeerd te drogen gezet. (Dus geen productie in het natte seizoen)
  3. de kapoten worden van de palen gerold en op een hoop gelegd.
  4. De rubbers worden onder een snijmes in fijne reepjes gesneden
  5. De reepjes worden opgeraapt met een soort van stemvork om de goede van de slechte elastiekjes te scheiden. De elastiekjes worden nog eens op een grote hoop gedumpt om nog wat te drogen in de zon, vooraleer ze in zakjes gestopt worden.
  6. De toegebrande zakjes met elastiekjes worden blijkbaar over gans Myanmar verkocht en gebruikt.

De mensen van de elastiekjesfabriek verdienen elk ongeveer 3EUR per dag,als het weer werken toelaat en aan het gekuch van de werknemers te horen is dit niet een echt gezonde bezigheid.

In Mawlamyine namen we een boot om via de rivier naar Hpa-An te varen. Een trip van 6 uur, onderbroken door een halfuurtje bezoek aan een klooster langs de rivier. Het klooster was idyllisch rustig, er waren enkele moniken en een paar devote Burmeese bezoekers. Verder was er niemand.


In tegenstelling tot vele anderen hebben monniken geen last van luizen.

Op de terugweg van het klooster naar de boot kwamen we wel iets meer aktie tegen: een hanengevecht. Twee hanen met hun verzorgers (nou ja, managers) werden flink opgehitst door geblaas op hun achterwerk. (Ieder zijn ding he). Toen de hanen allebei moe waren werden ze elk in hun hoek van het canvas bijgewerkt door hun verzorger: kop gewassen, een soort van drug (suiker?) werd met water geforceerd binnengeduwd en er werd een pluimpje aan beide kanten van hun kop gestoken. Toen gingen ze weer tegen elkaar tekeer. Net toen ik wou te weten komen waar dat pluimpje goed voor was, werden we weggeroepen omdat onze boot terug ging vertrekken. Nu gaan we het geheim van de pluimpjes nooit weten..

Na een verdere tocht van 4 uur op de rivier, waarbij we kiezelbaggeraars en kanos volgeladen met grote families tegenkwamen, kwamen we aan in Hpa-An. Dit is een niet toeristisch stadje (want moeilijk bereikbaar) dat toch een paar heel leuke attrakties te bieden heeft. We bezochten twee grotten met mooie Buddha vereringen, een bedevaartsoord op de berg en we kwamen een groepje schoolkinderen tegen die een traditioneel dansje aan het instuderen waren. Vooral de beklimming van de Zwe Ga Bin berg was een ervaring: in het dal, bij de Lambini Garden, stonden 1100 bouddha in symmetrische opstelling tegen een achtergrond van de 723 meter hoge berg. We deden er twee uur over om boven te geraken (bij een temperatuur van tegen de 30 graden), namen boven een uurtje de tijd om de bouddha’s en de gelovigen in ogenschouw te nemen bij het nuttigen van een glaasje Birma thee, en keerden dan terug naar beneden langs dezelfde steile trap, maar wel een half uurtje vlugger. Een leuke ervaring waar we de dag nadien nog hebben kunnen van genieten (in de bovenbenen).

In de tempels moet je altijd goed uit je doppen kijken, ook in het halfduister. De bouwheer kijkt niet op een paar centimeter afwijking op de hoogte van een trede


Elke speciaal wankele rots of hoge berg huisvest een pagode. Ook deze hebben we beklommen! (Maar ‘t was maar 50 meter hoog)


Veel gelovige Burmanen beklimmen ook de berg. Wij vroegen ons beneden af waarom er een monnik zand in pijkleurige zakjes zat te scheppen. Het bleek dat je je verdienstelijk kan maken voor de bouddhisten als je een pakje bouwzand of een baksteen deels meeneemt naar boven. Deze man droeg er zelfs 4!


Na een honderd hoogtemeters mochten de bakstenen of het zand achtergelaten worden.


Daar links in de verte trekken we naar toe. Maar nu moet ik gaan want anders kan ik Ilse niet meer inhalen…


En ‘t was toch weer niet een stupa die daar boven stond zeker!


De keerzijde van de berg: de afvalberg. Ook dat is Myanmar.


Het begin van onze afdaling terug naar de vallei en zijn 1100 budhha’s. Onderweg kwamen we ook vele koppeltjes tegen die de berg beklommen, maar soms moesten de meisjes haast de berg opgedragen worden… En dan ineens zie je 80-jarige vrouwen die zonder forceren de berg opmarcheren met het doel om voor donker boven te zijn. Boven is er voor de Burmanen steeds onderdak en eten te verkrijgen.


Omgeving van Hpa’An met de scooter: traditionele woning met bananenblaren dak en zijkanten


Net buiten de Saddan cave: goudgele rijstvelden. Mooi.


traditioneel huis


Een van de vele tempels, maar ze zijn allemaal anders


Hpa-An mensen van het platteland komen waren kopen en verkopen via de rivier


Lambini garden


Durex Myanmar afdeling


Een Belgische schone tussen de Birmaanse

Er zijn steeds genoeg Buddha’s voor elke monnik


Overal vind je openbare waterkruiken om je dorst te lessen


Onze gids op het eiland: Antoine/Antonio/Antoon/Anthony


Het is wel geen Orvelo, maar het gaat binnen (geserveerd in het niet zo bijpassende glas… )


Alle budha’s noemen hier Waldo. Waar is Waldo?

Myanmar maart 2017: wegconstructie

Op onze tocht doorheen Myanmar zijn we een aantal keer op wegenwerken gestoten. Dat was wel leuk want ik beeld me in dat dit in de jaren 50 er in Belgie wellicht ook zo aan toeging.

Ik heb een aantal foto’s en video’s ervan gemaakt. Van onze reporter ter plaatse:

Vrouwen doen 90% van het werk, dat valt steeds op.

Hier is het grootste werk al achter de rug: het effenen van de ondergrond. Aan de zijkant worden de keien volgens grootte geschikt. Eerst gaan de grootste keien zorgvuldig gerangschikt op de zandondergrond. Daartussen komen de kleinere keien zodat er een effen ondergrond ontstaat.

Dan wordt het pek of teer opgewarmd, met natuurmiddelen:

Daarna wordt het vloeibare teer op de steenslag gegoten (mannenwerk):

en dan komt het vuile werk: steenslag op de teer (vrouwenwerk):

en nog een beetje aanrijden met de pletrol, laten drogen en de weg is klaar voor gebruik.

 

maart 2018 Myanmar Mawlamyine bis

Nog een korte opvolger van mijn vorige blog, die apropos in een embryonale stadium werd gepubliceerd, Indien je geen fotos zag in de vorige blog, dan moet je die nog eens laden.

Ik heb nog wat videos van de reis naar Mawlamyine

Vroeger kon je niet met de trein tot in Mawlamyine, en moest je nog een overzet nemen om de rivier Thanlwin over te steken. Sinds een paar jaar is dit echter niet meer nodg.

En van onze zoektocht naar de monnik in de bosjes:

 

Uitsmijters:


Myanmar telecom


Myanmar electriciteit. Toch wat te toegankelijk vind ik. Ook in het stad vind je deze transformatoren op stahoogte.

8 maart 2018 Myanmar: Yangon Kyaik-Hti-Yo (golden rock) Mawlamyine

Na een korte vlucht van Saigon kwamen we aan op de luchthaven van Yangon. First things first: lokale munt (Kyat MMK spreek uit chjat) afhalen aan de ATM. Geloof de reisgidsen niet die zeggen dat je veel dollars moet meebrengen. Overal zijn ATMs en hoewel we wat dollars meebrachten, hebben we er geen enkele uitgegeven. Alles kan je betalen in Kyats. Tweede ding was een sim kaart kopen. We kochten 18 Gb data en 40 min bellen bij Oredoo voor omgerekend 13€. (Overal in het land 3G, meestal 4G). Het free WiFi in hotels kan traag zijn, maar wij hadden altijd snel internet. Na 4 maand overal goedkoop internet zullen we dat serieus missen op de boot!

Derde ding todo op de luchthaven: Grab app downloaden (de lokale Uber), ons nieuw telefoonnummer registreren en een taxi oproepen. Ongeveer de helft van de prijs van de gewone taxi’s, en geen gezeur over fooien en betalen. Tip: wandel met je gerief naar een straathoek waar weinig mensen staan, en roep daar je Grab. Zo is het veel eenvoudiger voor de taxi om jou te vinden.

We hebben drie dagen gespendeerd in Yangon, maar eigenlijk is er slechts een ding die je nergens anders in Myanmar vindt: de Shwedagonpagode, de grootste en heiligste pagode van heel Myanmar.


Even een poepje laten ruiken bij de leeuw aan de ingang (het Gouden Gat)


lokale hulp bij het aanpassen van de longyi, anders mag Ilse niet binnen

Na Yangon hebben we de trein gepakt naar golden rock Kyaik-Hti-Yo. Wat een belevenis! Over de koloniaal aangelegde sporen rijden drie treinen per dag naar onze bestemming. We kozen de dagtrein en kochten een upper class ticket, wat een gereserveerde stoel inhoudt. Het was wat zoeken om het reservatie loket te vinden (Hier geen e-loket: alles wordt nog op papier bijgehouden door de stationschef), maar de mensen zijn super vriendelijk en behulpzaam. Het werd een reis terug in de tijd: een koloniale wagon met alle vensters en deuren open die tegen max 50 km/uur door het idyllische landschap tuft. Op de weinige stops komen de ambulante verkoopsters aan boord en kun je al de lokale snacks uitproberen. Soms rijdt de trein stapvoets als hij langs onderhoudswerken passeert.

Na 5 uur relax schudden en wiegen waren we bijna op onze bestemming. Nog een lokale rit met de mensenvrachtwagen, en we waren in het gouden rots-dorp Kinmon. De Gouden rots ligt nog zo een 10 km bergop, maar er is een wel uitgebouwde navette naar de top: met 40 personen in een vrachtwagen die naar boven vliegt, de haarspeldbochten één voor één doorscheurt en ons 30 min later afzet, samen met honderden andere Burmaanse pelgrims. Wel onderweg twee keer gestopt: een keer om iedereen de kans te geven om een drankje te kopen (enkel de chauffeur kreeg zijn drankje, iedereen bleef zitten) en nog eens om twee mensen af te zetten bij de eerste kabelbaan van Myanmar. Dan moet je nog een wandelingetje maken langs een straatje afgezoomd met kraampjes die elke religieuze of culinaire wens in vervulling kunnen laten gaan. Wel zonder schoenen natuurlijk, want in een klooster of religieus gebouw moet je op blote voeten en met bedekte benen en schouders rondlopen (petje geen bezwaar), ook nog een kleine toeristenbelasting betaald van 6€.


Golden rock, een gelovige brengt nog wat bladgoud aan


Overal families. En ja, dat zijn offerblokken voor de monniken met echt geld in. Het is zelfs geen gewapend glas, want niemand steelt hier, en zeker al niet van Boeddha!


Met de toeristen- en pelgrimsvrachtwagen de berg op. Al goed dat het niet te lang duurde, want …


… vergeleken met dit heeft Ryanair riante beenruimte


Gelukkig wordt het bladgoud aan de goed kant geplakt, kwestie van het evenwicht niet te verstoren

De rots was spectaculaIr. Volledig in het goud geverfd, en daarna grotendeels met bladgoud overplakt door de gelovigen. Ook ik heb dat eens geprobeerd, maar dat bladgoud is zooo dun, dat het meeste aan mijn vingers kleefde of aan mijn kleren, en slechts een microgram aan de rots… A propos, dat was een mannenaangelegenheid, want vrouwen mogen niet aan de rots zelf komen. De laatste camion naar beneden was om 18:00 uur, en toch zagen we nog honderden pelgrims naar boven komen, om de nacht op de rots door te brengen (verboden voor toeristen). Een hele leuke belevenis.

De volgende dag trokken we verder met de trein voor nog een dagrit naar Mawlamyine, zo een 5 uur verder (150 km). Weerom een prachtdag, met uitzicht op weidse dorre steppen, eenzame dorpen in de vlakte, heuvels met gouden stupa’s en onderweg treinavontuur: stationnetjes, onderhoudswerkzaamheden, kinderen die hoopvol op een presentje meelopen met de trein, zwaaien naar mensen die voor de overweg staan, en ook hopen vuilnis aan de rand van elk dorp. Maar dat is iets waar we ondertussen stilaan gewoon aan geraken.

In het vroegere Moulmein, nu Mawlamyine zijn we een drietal dagen gebleven. We huurden een scooter en bezochten er de lokale bezienswaardigheden. Voor mij was de liggende boeddha een topper! 200 m lang, 40 meter hoog in 5 verdiepen.

Je kan hem al van ver zien liggen, deze world guiness boek Boeddha. Een monnik haalde het in zijn hoofd om de grootste liggende budha ter wereld te maken, en de gelovigen steunden hem hierin. Na een maand Myanmar kan ik gerust zeggen dat de boeddhistische monniken het grootste bouwbedrijf van Myanmar moeten zijn. Overal, werkelijk overal rijzen er pagodes of boeddha’s op. De mensen geven naast offer eten ook veel geld aan boeddha omdat ze geloven in een beter volgend leven. Heel origineel, bij de liggende boeddha was er geen entreegeld, maar je kon wel een donatie doen in bouwmateriaal: ik kocht 4 tegels en legde die neer bij het altaar.

Alhoewel de 200 m lange boeddha nog niet af is, zijn ze toch al bezig met de fundamenten voor een overbuur van 250m lang. Terug bij onze eerste boeddha: het is een heel bizar schouwspel binnenin. In de halfduistere betonnen gangen loop je blootsvoets door een opeenvolging van boeddhistische taferelen. Zeer aanschouwelijk wordt het leven van prins Siddharta uitgebeeld in een 50tal scenes. De beschilderingen zijn gedetailleerd en mooi, maar overal is een dikke laag stof. Zowel hele families als verliefde paartjes lopen door de gangen. De kleinsten gapen naar de wel heel realistische uitbeeldingen van de hel. Toch is het werk niet af: naarmate je naar hogere verdiepingen klimt kom je meer en meer onafgewerkte beelden tegen. Ook is het nooit duidelijk of een trap naar een doodlopende gang leidt, of net naar de uitgang gaat. Eigenlijk wel spannend.


De liggende Boeddha in al zijn glorie


Zijn overbuur, de andere boeddha in aanbouw. Is me dunkt al aan renovatie toe.


Wij kochten bij de ingang 4 ceramic sheet for holy robe (1,2€) als donatie


De boeddhistische hel, deel 1: trollen steken met spiezen door de stoute mensen


Deel 2: Chop Chop. A propos, dit is de enige keer dat ik een beeld met blotenborsten in Myanmar ben tegengekomen


zo ziet het vagevuur er wellicht uit


Naarmate je wat hoger gaat kom je soms stukken tegen die niet geheel afgewerkt zijn.


Dit tafereeltje moet nog geschilderd worden


De vingertoppen van boeddha zitten nog in de bamboe stelling


Grappig, een bouwwerf waar het verboden is om met schoenen in rond te lopen.


Zou het langs hier zijn?

Na het memorabel bezoek aan de boeddha zijn we ook nog op zoek gegaan naar een rij van tientallen standbeelden van monnikken. In onze excellente Trotter gids stond er een foto van een monnikbeeld  midden in de begroeiing. Het heeft wat moeite gekost, maar we hebben ze gevonden. Boven op een nabijgelegen heuvel stond een staande boeddha, en drie stupa’s. En vandaar kon ik een rij van beelden zien, niet te ver weg, maar wel midden zeer hoge en dichte begroeiing. Er was geen pad, maar waar een wil is is een weg, en dat hebben we gevolgd! Ik denk niet dat dit een drukbezochte plek is…


Volgens de trotter gids staat hier een wegwijzer… Zie je hem? (Hint: groot uitgevallen)


Op zoek naar de monniken beelden in het struikgewas, gelukkig geen slangen.


Gevonden!


Zo stonden er tientallen, maar we hebben er maar 4 bezocht.

maart 2018 Midden en Noord Vietnam

Noord Vietnam is qua natuur gans anders dan midden en zuid Vietnam. Tip: reis altijd van zuid naar noord, dan wordt het altijd mooier.

In Hoi An hebben we een paar zij uitstappen gemaakt met de scooter, naar de marmeren rots bij Da Nang (soso) en zijn drakenbrug (leuk), en naar de oude tempels van Nin Bin (super: doet denken aan Ankor Wat in het klein).


Begraafplaatsen zijn het summum van contrasten: naast een verwaarloosd perceel staat plots een mini pagode. Ook liggen er graven ten midden van de rijstperselen. Zo houden de overledenen de slechte geesten weg van de oogst.


Er was niemand in de omgeving, dus ik heb de lijkwagen even buiten gehaald.

Daarna zijn we per trein noordwaarts gereisd naar Hue. Daar hebben we met de scooter de graven van drie keizers bezocht, en ook de oude stadsvesten. Zeer mooi allemaal, Hue was dan ook de hoofdstad van Vietnam in een middeleeuws verleden.
We hebben ook het Nationaal park van Bach Ma bezocht, een natuurgebied op een bergtop waar in de tijden van Indo-chine nog een frans-vietnamese colonie was. Helaas strooiden de Japanners in 1945 roet in het eten, en werd alles hals over kop achtergelaten. De natuur eiste terug haar plaats op en gaf ons een hele mooie wandeling. Een van de weinige NP in midden Vietnam waar je zonder gids kunt wandelen langs bewegwijzerde paden.


Hue Citadel: Niets dan het beste voor Boudha. Wijn, chocolade, thee, en een vrucht die van ver op bananen lijkt.


Er wordt serieus gebouwd in Vietnam, en de tempels blijven niet achter. Met al het donatiegeld wordt er continue ver- en bijgebouwd.

Na Hue namen we de helft van een toeristische tourbus (geen terugreis) voor de 4 uur durende rit (210 km) naar Phong Nha, waar we twee reuze grotten hebben bezocht. De volgende dag per scooter het Cuc Phuong natuurpark bezocht waar de Frankfurt Zoological Society een onderzoekscentrum voor apen en schildpadden mee beheert. We kregen een rondleiding tussen de apen, en waren onder de indruk van de lemuren met hun lange staart.  Ook de grotten mochten er zijn, want ik heb nog nooit zulke indrukwekkende kalkformaties gezien.


Paradise Cave: We hebben in de streek van Phong Nha ongelofelijke grotten gezien. Niet bezocht, maar wel in de streek ligt de grootste grot van de wereld, enkel te bezoeken per 5-daagse excursie. Maar wij waren ook al sterk onder de indruk van de 2 grotwandelingen die we gedaan hebben. Wat een (stalag)tiet!


Phong Nha cave: een stalagmiet om U tegen te zeggen


Phong Nha cave: het liep er vol met Vietnamezen, maar ik kon toch eens afdrukken met alleen Ilse in beeld

Hierna stond Ninh Binh op het programma met het nabijgelegen Tam Coc, een mooi Karsten gebergte landschap. Dit wordt ook de Halong Bay van het vasteland genoemd, vanwege het gelijkaardige uitzicht minus de zee. Alhoewel de trekpleisters zeer toeristisch zijn, hebben we met een scooter  vele leuke plaatsjes gevonden ver weg van alle volk. Leve google Maps, want we hebben echt in de middle of nowhere gezeten.


Ninh Binh karst rotsen stilleven. Lag op een moeilijk te vinden weggetje naast een super drukke tempel, maar vietnamezen klimmen en wandelen niet graag, dus het was verlaten.


Van Long nature reserve stilleven, dichtbij Ninh Binh. Even later hebben we er leven in gebracht.


Leven in de brouwerij: we laten ons roeien.


In Ninh Binh kwamen we een tempel tegen waar een ceremony aan de gang was. De binnenkoer stond vol met papieren paarden, olifanten en een boot. Ze gaan wel de vuurdood tegemoet, maar we zijn niet blijven rondhangen voor zoveel geweld.

Hanoi ligt maar een tweetal uur rijden noordelijker van Ninh Binh. Met een minibusje sukkelden we aan de maximumsnelheid van 70 km/uur over de autostrade. Hier zie je dat de Vietnamese manier van kris-kras rijden niet meer werkt, en files in de hand werkt.

Hanoi, de hoofdstad en tweede grootste stad van Vietnam, is toch relatief rustig in vergelijking met zijn tegenhanger in het zuiden, Ho Chi Minh (Saigon). Veel te zien en we zijn er dan ook 4 dagen geweest, inclusief een daguitstap naar Halong Bay.

Hou jullie vast: ik vond Halong Bay maar niets. Een lange busrit, mistig (smog?) en heet weer en toeristen met de vleet. Misschien zijn we als boatpeople de zee wat te gewoon, of kwam het omdat we de Karsten rotsformaties net bezocht hadden in Ninh Binh/ Tam Coc.

Ondertussen was het koude weer in het noorden van Vietnam, de Lao Cai provincie, omgeruild voor warm lenteweer. We vertrokken met de dagbus en kwamen op de middag aan in Sa Pa. Met de Sa Pa Sisters deden we een tweedaagse trekking in de vallei, met een overnachting bij lokale mensen. Dat viel redelijk goed mee: onze lokale gids sprak goed Engels, de natuur was mooi en heel veel mensen liepen rond in traditionele kledij. De overnachting was ook leuk, lekker eten en een leuke internationale groep van medereizigers. Wij waren wel de oudste van de bende, iets wat wel meer voorvalt 🙂

Toch had ik wat last met het verlies van controle, dus de volgende dag huurden we een scooter voor drie dagen. Het plan was om naar de zondags markt van Bac Ha te gaan. Tip voor mensen die dit ook willen doen: bij huur scooter niet zeggen dat je dit gaat doen want dan willen ze niet meer verhuren, je zegt dat je lokaal wat gaat rondtoeren. We kregen een bijna nieuwe semi automatische Honda 125 cc (niet nodig te ontkoppelen), en de zondag morgen rond 8:00 waren we op weg, na een zeer druk vertrek (denk aan een alpijns bergdorp met de  weekendwisseling van skiërs). Noot: voor mensen die het niet zien zitten om zelf met de scooter rond te rijden zijn er vele lokale busjes die het traject Sa Pa -> Lao Cai -> Bac Ha (en terug) doen.


De kinderen moeten lange uren kloppen om de toeristen aan hun trekken te laten komen…

Na de lange afdaling (32km) van Sapa naar Lao Cai, volgde een mooie rustige weg die langs de Chinese grens slingert tot aan het bergdorp Bac Ha. We waren om 11:30 op de markt, en genoten van de grote drukte die eigen is aan een markt waar vanalles wordt verkocht voor de mensen van de streek. Ook was er genoeg keuze aan souveniers voor de toeristen. Maar die laatsten vertrokken allemaal om 14:00 uur, en we bleven alleen achter, joepie! Ilse had een heel leuk homestay gevonden, op 2 km van het centrum: Cho’s Family homestay.  Cho heeft ons goed verwend met een lekker avondeten en ditto ontbijt. In de namiddag hebben we een mooie wandeling gemaakt in de bergen, en de volgende dag nam Cho ons mee op een lange, lastige maar zeer originele tocht in de nabije dorpen en velden. Als je het mij vraagt is deze streek mooier dan Sa Pa, want nog ongerept. De mensen lopen ook rond in traditionele klederdracht, maar doen dit niet voor de toeristen (die zijn er immers niet). Ik kan dit alleen maar aanraden aan SaPa reizigers: 1 dag in Sapa stad, en de rest in Bac Ha spenderen, je zal het je niet beklagen.


Bac Ha (50 km van Sa Pa). Beter dan Sapa!! Een vallei die nog niet door de toeristen ontdekt is, en zeker zo mooi is. We wandelden er alleen met onze gids langs de lokale dorpen. Indrukwekkend.


De vallei rond Bac Ha. De rijstvelden liggen er bruin bij op het einde van het winter seizoen, maar gelukkig stonden er ook veel bloemen.

 


Vietnamezen houden enorm van ballons. Je ziet de verkopers overal in Hanoi.


Postuum moet Herge nog wat albums over Vietnam hebben uitgebracht…


In stops waar de tourbussen hun passagiers een half uurtje laten rondlopen, zie je de naaimeisjes die een bijna foto realistisch kunstwerkje maken. Een formaat van 50 op 60 cm kan een maand werk vergen (en kost ongeveer 500 EUR)


Elk is bezig aan zijn werkje, de afgewerkte hangen aan de muur of liggen op de tafels op een koper te wachten.


Hanoi: jammer maar we zijn al weg…


Highlands Coffee in Hanoi: De Vietnamese Starbucks, en erg lekker. Een capucino kost 50000 (1,7EUR) dus niet voor elke Vietnamese beurs.


Hanoi: veel bikes, en als voetganger is het soms zoeken naar een doorgang om een restaurant of winkel binnen te gaan,. Of om gewoon de straat door te lopen.


Boudhistische les. Er stonden wel rare regels in. ik hoop voor onze blog volgers dat wij geen ordinary people zijn.


If you waste time for travels… You will suffer from a disease that causes your inability to move. Auw, die komt hard aan!


Uitsmijter: alle bussen en vrachtauto’s hebben hun nummerplaat op de achter en zijkant geschilderd in grote letters.